abele spelen
(abel betekent 'edel') moet beschouwd worden als het tegenovergestelde van
'religieus'. De abele spelen zijn inderdaad de oudst bekende
nederlandstalige toneelstukken van wereldlijke (niet religueuze) aard. Ze gaan namelijk allemaal over de Liefde. De vier nog bewaarde stukken zijn: Esmoreit, Gloriant, Lanseloet van Denemerken, Vanden Winter ende vanden Somer. Alle vier de stukken behandelen een liefdesthema in de stijl van de hoofse liefde (vandaar 'abel' = 'edel' = 'hoofs'). Het gaat hierbij respectievelijk om de liefdesparen Esmoreit en Damiët, Gloriant en Florentijn, Lanseloet en Sanderijn, Winter en Somer (de laatste is een allegorie).
absurd
ongerijmd, dwaasheid. Is een toneel genre. De logische opbouw van oorzaak-gevolg is losgelaten.
Absurdistische structuur
Dit zijn stukken waarbij men bewust de klassieke verhaallijn loslaat om met ongerijmdheden van de structuur te laten zien hoe ongerijmd men de samenleving vindt. Sommige absurdistische stukken kennen een cyclische (cyclus: tijdskring) structuur: het eindigt net zoals het begonnen is waarmee aangetoond wordt dat er niets wezenlijk veranderd is. Absurdisten: Pinter, Ionesco, Beckett.
accessoires
spullen die bij het kostuum van een toneelspeler horen. Bijv. een hoed, sjaaltje enz.
achterdoek
Een meestal zwart gordijn dat op het podium hangt. Ook Fond*. Ervoor wordt de voorstelling gegeven.
acteren
toneelspelen, zonder dat je ziet dat er toneel gespeeld wordt. Meestal door een acteur/actrice.
zie ook de startpagina voor acteurs.
acteur/actrice
toneelspeler/toneelspeelster
Actiemoment, speelmoment
moment in een toneelstuk dat in directe verbinding staat met een voorafgaand en volgend speelmoment. Het kan bovendien verbonden zijn met een moment in het verleden, heden of toekomst, of met de werkelijkheid buiten het toneelstuk.
actualisering
aanpassen van de tekst, personages, omstandigheden naar een meer hedendaagse situatie
afbreken
Het opruimen van decors, rekwisieten* en wat er verder voor een voorstelling gebruikt is.
afdekken,
Op het toneel voor iemand anders gaan staan. (=) coucheren, afschermen
affiche
reclameboodschap bij theatervoorstellingen
afgang
als een toneelspeler het toneel verlaat, wordt dat een afgang genoemd. Als de speler ondertussen struikelt is dat een dubbele afgang.
afplakken
(=)x De plek waar tijdens een toneelstuk decor en attributen komen te staan.
Afschermen (=) coucheren
Wanneer een speler het publiek het zicht ontneemt op een medespeler die de focus zou moeten hebben, spreekt men van ´afschermen´. Kinderen hebben soms niet de publieksgerichtheid en het ruimtelijke inzicht om ervoor te zorgen dat de toeschouwers ook daadwerkelijk de belangrijkste informatie kunnen volgen, hebben niet door dat ze ´ervoor staan´.
akoestiek
De geluidskwaliteit van een zaal. Als de spelers niet overal hoorbaar zijn of het galmt erg, is de akoestiek slecht.
akte
(=)bedrijf
amateurs
liefhebbers, mensen die graag toneelspelen zonder er geld voor te krijgen.
amateurtoneel
toneelspel door liefhebbers van toneelspelen. 't Speeltoneel beoefent amateurtoneel met professionele insteek.
amfitheater
Een soort theater dat is uitgevonden door de Romeinen. Het lijkt wat op een stadion: beneden in het midden wordt gespeeld en de zitplaatsen eromheen lopen trapsgewijs op.
antagonist
een tegenspeler op toneel, tegenspeler van de hoofdrolspeler (protagonist). Door de Griekse tragedieschrijver Aschylus (5e eeuw v.C.) ingevoerd. Eerst deuteragonist genoemd, oftewel tweede speler.
anticlimax
opeenvolging van steeds zwakkere woorden of uitdrukkingen: schreeuwen - roepen - zeggen - fluisteren. In dramatisch werk wordt de anticlimax vaak toegepast om een zekere ontspanning te verkrijgen, waarna het hoogtepunt (de climax) des te meer indruk maakt.
antiheld
Personage in toneelstuk (of roman) dat qua beschrijving, gedrag, opvattingen enz. afwijkt van wat gebruikelijk is in deze genres. Personages uit absurde toneelstukken worden vaak als antihelden betiteld.
applaus halen
Als het publiek klapt, komen de spelers op het podium en buigen nederig als dank voor de spontane, of beleefde waardering van getoond spel.
applaus melken
De spelers komen weer naar voren als het publiek net wil ophouden met klappen. Zo zorgen ze ervoor dat het applaus langer duurt.
arenatoneel
Toneel in het midden waar de stoelen voor het publiek in een rondje omheen staan
Aristotelische structuur
De gesloten dramastructuur, naar de Griekse theoreticus Aristoteles (384-322) geldt voor vrijwel de hele westerse toneelliteratuur vanaf de oude Grieken tot het begin van de 20e eeuw en meestal tot op heden.
Een toneelstuk is geconstrueerd volgens de wet van de drie eenheden: eenheid van tijd, eenheid van plaats en eenheid van handeling. De eenheid van handeling betekent dat er geen verhalen mogen in voorkomen zonder direct oorzakelijk verband met de hoofdhandeling. De aristotelische structuur kent gewoonlijk een opbouw in drie of vijf bedrijven.
articuleren
Duidelijk en nauwkeurig uitspreken, waardoor iedereen het goed verstaat.
artiestenfoyer
een bar bij de kleedkamers waar alleen de mensen die aan de voorstelling meewerken mogen komen.
auditie
voorspelen om te laten zien wat je kan. Zie ook: audities.nl
auteur
een schrijver. (=)toneelschrijver.
avant-première
voorstelling die plaatsvindt voor de eerste publieke voorstelling, vaak voor insiders.
bakkie
een schijnwerper in de vorm van een bakkie, spot.
balkon
platform met balustrade bovenaan in de schouwburg, deze zitplaatsen zijn vaak het goedkoopst gezien de afstand naar het toneel toe.
barndoor
verstelbare kleppen aan een spot, zodat je het licht kan sturen / uitlichten.
bars
zie trek
bedieningspaneel
een regeltafel met rijen knoppen en schuiven om het licht of het geluid te regelen, bij voorbeeld: de geluidstafel.
bedrijf
vroeger waren de toneelstukken in drie bedrijven verdeeld. Twee voor, en een na, de pauze. Tussen de bedrijven ging het doek dicht en konden ze het decor verwisselen. Tegenwoordig zijn er niet duidelijke bedrijven meer en gaat het doek niet altijd meer tussendoor dicht.
bezetting
de rolverdeling
bijgeloof
nogal veel bij het toneel, zoals niet fluiten op het podium. (vroeger was dat het signaal om de trekken ingang te zetten, dus er zou wat uit de lucht kunnen vallen.) zie ook toi toi toi
bijfiguur
minder belangrijk personage of karakter in een toneelstuk.
bijrol
een rol die niet de hoofdrol betreft. Er zijn kleine en grote bijrollen, allen zeer belangrijk. ("geen kleine rollen, wel kleine mensen." )
blacklight
ultraviolet licht in combinatie met witte verf of fluorescerende verf.
black out
(=)blank staan. Even totaal niets meer weten. Kan komen door overgeconcentreerd zijn. Kan ook donkerslag betekenen.
blank staan
voor een zaal toeschouwers op het podium staan en dan niet meer weten wat je moet zeggen. Tekst vergeten. (=Black out)
brandscherm
ijzeren wand tussen podium en zaal om te voorkomen dat de acteurs niets overkomt (of het publiek)
break-a-leg
Een succes wens. (=toi toi toi)
blijspel
positief, vrolijk toneelstuk, komedie
brochure
een toneeltekst. (=)script.
broodje
zwaar metalen blok. (=)kluiten Vaak gebruikt om (losstaande) panelen te verstevigen, zodat deze niet omvallen.
bühne
het toneel, de plek waar je speelt. (=) podium
buiging
als dank voor het applaus nemen de toneelspelers deze nederige houding aan.
burleske (of: burlesque)
een kluchtig gedicht of blijspel, dat door het - met opzet aangebrachte - grote verschil tussen onderwerp en stijl karikaturaal en onnatuurlijk overkomt. Meestal wordt een hoogdravend onderwerp (goden, helden, geliefden) in zeer platte taal behandeld.De burleske is in de zestiende eeuw ontstaan in Italië. Het woord is afgeleid van het Italiaanse woord 'burla' (grap). De burleske was als genre vooral in de zeventiende eeuw erg populair. In Nederland was Willem Godschalck van Focquenbroch de belangrijkste schrijver in dit genre.
cabaret
theatervorm, kleinkunstvorm met sketches, conférences en chansons waarbij op een satirisch-humoristische wijze politieke of actuele gebeurtenissen bekritiseerd worden. vaak is er sprake van direct contact met het publiek
cabotineren
overdreven spelen. (=)schmieren*
cast
(Eng.) alle spelers samen vormen de cast.
Casting
(Eng.), rolbezetting, rolverdeling: rolbezetting in een film, show, televisie, of theaterstuk.
changement
(sjansjement) verandering van decor tijdens de voorstelling.
changement à vue
verandering van decor met open doek
chronos
in de Oudgriekse literatuur de personificatie van de tijd, voorgesteld als een oude, grijze man.
choreutai
koorleden in Griekse klassieke tragedie, aangevoerd door een koorleider (exarchos).
clacque
groepje mensen die speciaal komen om voor iemand te klappen. Soms worden ze ervoor betaald.
claus
passage (één woord of meerdere volzinnen) in een stuk voor een acteur na elkaar gesproken.
climax
hoogtepunt wanner de spanning tussen publiek en spel het hoogst is.
clown
(Eng.) komische toneelfiguur, hansworst, voortgekomen uit de ´stupidus´ van het klassieke Romeinse theater, de middeleeuwse hofnar en de Arlecchino uit de commedia dell´arte. In de loop van de 18e eeuw werd de clown populair in het circus, vervolgens ook in de pantomime.
coderen
verwachting wekken, bijv. de telefoon gaat, die pak je op.
comedia dell' arte
Renaissancetoneel, afkomstig uit Italië. Vaste personages met vastgelegde karaktertrekken. Teksten vanuit een verhaallijn die geheel improviserend wordt gespeeld; fysiek toneel. Enkele karakters zijn:Arlecchino (Harlekijn), Brighella, Colombina, Isabella, Dottore, Capitano, Pantalone, Pulcinella
comedy
in het Nederlands ook wel klucht of blijspel genoemd. Bevat elementen van een drama, maar wel heel luchtig en oppervlakkig. Doorgaans loopt een comedy goed af, soms met een lach en een traan. Dan spreken we van volkstoneel.
coucheren
afdekken / afschermen
coulissen
zwarte gordijnen of schotten aan de zijkant van het toneel. Toneelspelers die op of afgaan lopen er tussendoor.
coulissensysteem
decorvorm van beweegbare zijpanelen die aan de achterkant verbonden zijn met het doek. Het coulissensysteem ontstond in de 17e eeuw en heeft als voordeel dat het diepte in het decor brengt, doordat de panelen schuin achter elkaar staan en beschilderd zijn.
coup de théatre
verrassende, onverwachte, zeer belangrijke wending in het handelingsverloop van een toneelstuk. Werd veelvuldig toegepast in het burgerlijk drama.
couperen
in de tekst knippen, iemand couperen: iemand zijn tekst niet laten uitspreken
cour
term voor de linkerkant van het podium vanuit de zaal gezien
crux
omslagpunt in het verhaal
cue
(kjoe) de wacht Het woord van je tegenspeler waarop je rekent om zelf te kunnen spreken. (Helaas is dit niet een betrouwbaar middel)
cyclorama
decorprojectie door een speciale toepassing van de belichting. Door middel van een cyclorama kan bijvoorbeeld een bewegende wolkenhemel op een scherm worden geprojecteerd.
debuut
eerste publieke optreden van een toneelspeler, zanger, danser, enz.
decoderen
(=) scoren verwachting inlossen. Onderdeel van een toneelstuk: coderen, stapelen, scoren
decor
alles wat op het toneel staat als de omgeving voor de toneelspelers.
Deus ex machina
(Lat.: god uit de machine) Persoon of zaak die als reddende engel opeens op het toneel verschijnt; term uit de dramatiek, voor het eerst gebruikt door Plato. Wanneer Griekse dramaturgen de door hen opgeroepen conflicten niet zelf konden oplossen, voerden zij dikwijls een godheid ten tonele om de zaak recht te trekken. Deze godheid (deus) werd dan via een soort kraan (machina) vanuit de hoogte neergelaten. Nederlands voorbeeld: de verschijning van de engel Gabriël in Vondels "Gijsbrecht van Aemstel". Overdrachtelijk gebruikt men de term nu voor een ontknoping van een toneelstuk die niet logisch uit de handeling of de karakters voortvloeit.
dialoog
tweespraak, samenspraak tussen twee of meer mensen.
dictie
de manier van spreken.
doddelen
je verspreken
doek
het gordijn voor het toneel
donkerslag
als alle lichten die op het toneel gericht staan in een keer uitgaan.
doorloop
repetitie van het geheel.
draaitoneel
toneel dat draait, daardoor kan je snel decor wisselen of bepaalde effecten verkrijgen. Het eerste draaitoneel werd waarschijnlijk gemaakt door de Italiaanse architect Giacomo Torelli. Hij maakte rond 1645 een theater met een draaitoneel te Venetië, Italië
drama
toneelspel, toneelstuk, toneelwerk, oorspronkelijk treurspel. Het uitbeelden van het menselijk conflict door middel van woord en gebaar. (ook ramp, droevig voorval). Drama betekent in het Grieks handeling. Theaterwetenschappers maken een onderscheid tussen de tekst op papier (drama) en de opvoering op het toneel (toneel, theater).
dramatiek
afgeleid van het Griekse woord δράμα dat handeling betekent.Toneelkunst. Overeenkomstig de traditioneel geworden indeling van Aristoteles is dit uit een van de drie uitingsvormen binnen de literatuur: epiek (verhalende dichtkunst en proza), lyriek (poëzie) en dramatiek (toneel)
dramatis personae
(Lat.) de (in een stuk) optredende personen. In het toneel van de oudheid de drie hoofdrolspelers.
dramatisch
op het drama, het toneel betrekking hebbend, van de aard van of op de wijze van een drama: dramatische poëzie (toneelstukken in verzen), ook spectaculair, opzienbarend, een sterk effect hebbend.
dramatoloog
toneelwetenschapper.
dramaturg
een schrijver van drama's of toneelstukken en ook opera's. iemand die de geschiedenis van het toneelspelen kent.
dramaturgie
leer van de dramatische kunst. Oorspronkelijk het schrijven en opvoeren van drama´s. Tegenwoordig de theorie van het drama, gecombineerd met een verklaring van en een toelichting op de wetten die op de dramatiek van toepassing zijn. (Belangrijke werken op dit gebied zijn onderandere Aristoteles´ "Poëtica" (ca. 325 v.C.), Lope de Vega´s "Arte nuevo de harcer comedias" (1609), Boileau-Despraux´ ¨l´Art poëtique¨ (1674) en Brechts "Kleines Organon für das Theater" (1948).)
dubbelrol
als een speler meerdere rollen heeft in een toneelstuk, dan heeft hij een dubbelrol.
Dulcinea
de denkbeeldige geliefde van Don Quichot, Dulcinea van Toboso, in de roman van Cervantes. Synoniem voor geliefde.
edelfigurant
zie figurant, maar met tekst.
eenakter
een toneelstuk in één bedrijf dat niet zo lang duurt.
eitje
een schijnwerper in de vorm van een eitje-zonder-kapje.
emotie
laten zien wat je voelt, zoals angst, jaloezie, haat, liefde, enz.
emotie-geheugen
een deel van ons geheugen waarin emotionele ervaringen uit het verleden liggen opgeslagen.
engelenbak
vroeger de hoogste en goedkoopste zitplaats.
en ronde
publiek zit rondom het speelvlak
entr'acte
iets wat tussen twee bedrijven gebeurt.
entremeses
korte toneelspelen, soms vergezeld van zang, die in Spanje opgevoerd werden tussen de bedrijven van een groter toneelstuk (meestal tussen het eerste en tweede). Ze hadden dikwijls een komisch, soms een ironisch karakter.
(begin 15e eeuw ontstaan)
epiloog
naspel, afsluiting. In een Grieks treurspel de slotrede. Vaak gebruikt om een samenvatting te geven van wat je gezien en gehoord hebt.
Epische structuur
In de 20e eeuw is naast de aristotelische structuur ook de open structuur van het episch drama gekomen. Het "epische" betekent dat het toneel verhalender wordt. De Duitse toneelschrijver Bertolt Brecht (1898-1956) is de theatermaker geweest die ieder meebeleven wilde voorkomen omdat volgens hem het gesloten systeem zou hinderen goed na te denken over het getoonde. Hij wilde de mensen op de sociale situatie wijzen. Hij verbrak met zijn "vervreemdingsprincipe" de toneelstructuur. Hij liet bewust personages uit hun rol treden en er werd, via liederen en projecties, commentaar gegeven. Het was zijn doel om het publiek meer tot "meedenken" dan tot "aanvoelen" aan te zetten.
extemporeren
(=) schmieren
farce
(=) klucht, dolkomische vertoning
festival
feestelijk veel verschillende voorstellingen achter elkaar.
figurant
iemand die mee mag spelen maar niets hoeft te zeggen.
fits
een scharnier om 2 vakken mee aan elkaar te maken door middel van een krommer
fond
achterdoek
fool
In de Middeleeuwen de (bij)naam voor de hofnar wiens relativerend-wijsgerige kwinkslagen soms van grote invloed waren op de houding van de vorst bij wie hij in dienst was. Vooral vanwege deze mogelijkheden was hij een geliefde figuur op het toneel en in de koningsdrama´s van Shakespeare speelt hij dan ook meestal een belangrijke rol.
foyer
de plek waar je een drankje haalt in de pauze van de voorstelling.
freeze
stokstijf staan, alsof je bevroren bent.
fresnel
theaterlamp, heeft als voordeel een egale lichtverdeling van de bundel, vooral wanneer er meerdere spots nodig zijn om één vlak uit te lichten.
fries
een smalle lange lap dat boven het toneel hangt, zodat het publiek in de zaal niet alle buizen en lampen boven het toneel zien hangen.
fysiek spel
Het in houding, beweging en gebaar omzetten van een rol of een begrip. Men loopt en beweegt als de rol en gaat dus niet zomaar wat staan praten, maar geeft er middels het eigen lijf vorm aan.
gaasdoek
is een doek met mazen in verschillende grote en kleuren, de meest gebruikt kleuren zijn wit, zwart en grijs. Het publiek ziet je niet als het licht vanuit de zaal erop schijnt. Met tule of gaasdoek kun je leuke effecten of sferen creëren.
garderobe
bewaarplaats voor jassen, tassen enz. (=)vestiaire
generale repetitie
de laatste repetitie voor de première
genre
type toneelstuk, bijv. komedie, klucht, tragedie, commedia dell'arte, enz.
Gesticuleren
gebaren maken.
gobo
een dun stukje lood, waarin bijv. een hartje uitgesneden is en gestopt in de gleuven van een schijnwerper.
grid
stelsel van buizen tegen het plafond, waaraan licht, decor of doeken zijn bevestigd.
grimeren
iemands gezicht beschilderen. (=schminken) Zie ook: grime.nl
grimeur
degene die grimeert.
halen
uitroep die betrekking heeft op het doek. "Gordijn open!"
hals-und-beinbruch
(=) toi toi toi, merde en break a leg. Succeswens
harlekijn
kluchtige figuur met een bont of geruit pak en een houten sabel. Nederlandse naam van Arlecchino uit de commedia dell´arte.
harlekinade
toneelstuk waarin Arlecchino (Harlekijn), een figuur uit de commedia dell´arte, de hoofdrol speelt. Muziek en pantomime vormden wezenlijke bestanddelen, waarin na 1800 de clown door het optreden van Joseph Grimaldi (1779-1837) de voornaamste rol kreeg toebedeeld. In het spraakgebruik heeft de aanduiding harlekinade de negatieve betekenis van een lachwekkende vertoning.
hoofdrol
De speler waar het verhaal omdraait.
horizonbak
een spot zonder lens die ontworpen is om een horizondoek zo egaal mogelijk aan te lichten.
horizondoek
een rechthoekig hangend doek, meestal lichtblauw. Hangt meestal aan de achterzijde van het podium en wordt gebruikt om diepte te creëren. Op een horizondoek kan men leuke projecties maken met licht en gobo's.
imitatie
nadoen van een persoon
impresario
iemand die theatervoorstellingen verkoopt aan theaters.
improvisatie
gaan spelen zonder van te voren wat af te spreken. (Zie ook Theatersportoefeningen)
ingénue
een jonge actrice, die lief en onschuldig kan overkomen.
innerlijke regie
Het interpreteren van het stuk. Ieder (toneel)stuk telt een of meer thema´s, en het is de taak van de regisseur tot een eigen visie te komen, die aan de thematiek de grootst mogelijke zeggingskracht verleent. De visie van de regisseur is bepalend voor alle elementen van de voorstelling (spel, decor, geluid, belichting, kostumering, enz.) en fungeert dus als het middel dat een organische eenheid van de voorstelling maakt. De regisseur helpt de acteurs bij het opbouwen van de karakters van de personages. Aantekeningen over het stuk noteert hij in het regieboek.
inspelen
al spelend de slag, de juiste toon te pakken krijgen. Na een aantal (proef)voorstellingen moet een stuk 'ingespeeld' zijn.
inspiciënt
iemand die zorgt voor alle spullen op het toneel.
interactie
de manier waarop je omgaat, beïnvloedt, reageert op je medespeler / publiek.
interlude, interludium
een kort tussenspel (intermedium) tussen de delen van een toneelstuk of tijdens de pauze van een banket of hoffeest. In historisch opzicht volgden de interludes op de moraliteiten. (Lat. interludere: spelen tussen)
intermedium
Een intermedium of intermezzo is een tussenspel dat in de 16e eeuw werd ingelast tussen de bedrijven der (gesproken) drama´s en bestond uit dans, pantomime, zang en instrumentale muziek.
Dikwijls vormden de intermediën tezamen een geheel, zodat tussen de delen van het drama een tweede spel ontstond, ditmaal muzikaal van aard. De komische intermediën die ingelast werden tussen de bedrijven van de opera seria, vormden de basis van de latere opera buffa. (It. intermedio, Eng. interlude, Fr. entremet, Sp. entremés)
intonatie
de manier van spreken met beklemtoning om iets duidelijk te maken.
italiaantje (à l'italienne)
tekstrepetitie op een manier zoals de Italianen spreken (vlug / automatisch / zonder nadenken)
intrige
het verhaal, de voornaamste gebeurtenissen in een verhaal, film, toneelstuk; verwikkeling, plot.
jardin
de rechterkant van het podium, gezien vanuit de zaal
jeugdtheater
theater voor iedereen vanaf ongeveer vier jaar.
jeugdtoneel
toneel voor de jeugd, Bij 't Speeltoneel te Pijnacker vanaf 9 jaar. (Helaas wordt er gewerkt met wachtlijsten, dus..)
jeune premier
jonge mannelijke hoofdrol
kamertoneel
salon fermé. Ontstond in de 19e eeuw door het toneel geheel af te sluiten met drie wanden en een plafond.
kap
In een lijsttheater is er boven het toneel nog een heel hoge ruimte. Daarin hangen de decors, doeken die aan de trekken omhoog getrokken zijn.
karakters, personages
rol, figuur, karakter in een verhaal of toneelstuk. Bijv: ´flat character´ (karikatuur) versus ´round character´ (meerzijdig, meerdimensionaal).
kijkkasttoneel
zie lijsttoneel
klassiek
de Griekse of Romeinse Oudheid betreffend.
klassieke tragedie
de klassieke tragedie is ontstaan uit de dithyramben. Dit waren koorzangen die in het oude Griekenland gezongen werden ter ere van de God Dionysus. Over de vroegste ontwikkelingen van het koor tast men bijna geheel in het duister. Volgens de overlevering stelde de dichter-acteur Thespis in de 6e eeuw v.C. een acteur tegenover het koor, dat geleid werd door een koorleider. Hiermee werd de mogelijkheid tot dialoog geschapen. Arschylus (ca. 525-426 v.C.), de oudste Griekse tragedieschrijver van wie werk bewaard is gebleven, voegde een tweede acteur toe. In zijn tragedies nemen de lyrische koorpartijen nog een centrale plaats in. Sophocles (ca. 496-406 v.C.) breidde de mogelijkheden van de tragedie aanzienlijk uit, onder meer door een derde acteur toe te voegen. Het werk van Euripides (ca. 485-406 v.C.) vormt de afsluiting van de Griekse klassieke tragedie.
De Romein Seneca (ca. 4 v.C.-65 n.C.) heeft een aantal tragedies geschreven, waarvan hij de stof ontleende aan Sophocles en Euripides. Hoewel deze stukken ver achter staan bij de Griekse tragedies, hebben ze in de 16e en 17e eeuw grote invloed uitgeoefend (Franse klassieke tragedie, Vondel). Ook in de 20e eeuw werd Seneca bewonderd. Zo schreef Hugo Claus (*1929) twee stukken ("Thyestes" (1966) en "Oedipus" (1971)) naar het voorbeeld van de Romeinse schrijver.
kleurfilter
gekleurd stuk glas of plastic dat voor de lens van een schijnwerper gezet kan worden om de kleur van het licht te veranderen.
kloten (=) kluiten
zware metalen blokken met een gleuf erin. Ze worden gebruikt om het decor op zijn plaats te houden. (Contragewicht voor de trekkenwand
klucht
toneelgenre bedoeld om leuk te zijn. Meestal persoonsverwisselingen, verwarringen en vele problemen die gedurende het stuk toenemen. Loopt positief af. Al in Griekenland bekend en populair (Aristophanes, ca. 445-ca. 385 v.C.). De Romeinen vonden, behalve in een eigen kluchttraditie, de zgn. Atellaanse klucht, afkomstig uit het stadje Atella in Campania. Niet altijd van komedie te scheiden.
kluiten (=kloten)
zware metalen blokken met een gleuf erin. Ze worden gebruikt om het decor op zijn plaats te houden. (Een contra gewicht voor de trekkenwand)
kluitenwagen
waar je de kluiten in stopt als contra gewicht voor de trek
knikkende knieën
wiebelende knieschijven bij plankenkoorts, niet te zien bij het publiek
komedie
toneelgenre: realistischer vorm van de klucht. Het verhaal over echte mensen die geconfronteerd worden met een probleem en daardoor een karakterontwikkeling doormaken. Loopt meestal positief af.
kostuum
pak.
krommer
een soort schanierpen om decors mee te monteren
lichtplan
een uitgewerkt plan waarop staat aangegeven waar welke schijnwerpers moeten hangen en wanneer ze aan of uit moeten.
Lichaamstaal
communicatie door middel van lichaamshouding en/of gezichtsuitdrukking.
lichttafel
een apparaat dat speciaal is ontworpen voor het bedienen van de theaterlampen tijdens een theatervoorstelling
lijsttoneel
podium hoger dan de eerste rijen in de zaal en en zit een lijst van muren omheen, zodat het toneel eruit ziet als een schilderij. 't Speeltoneel speelt in le Carillon te Pijnacker, een soort van lijsttoneel.
locatie
de plek waar het toneelstuk gespeeld wordt. Dit hoeft niet het theater te zijn, kan ook een fabriekshal, winkelcentrum, dorpsplein, zwembad, oude kerk, enz. zijn. Voorbeeld van een theatergroep die gebruik maakt van locatietoneel is "Dogtroep"
loge
in ouderwetse theaters afgescheiden groepje stoelen met eigen ingang.
manteau
lijst, zie lijsttoneel
maquette
een klein houten of kartonnen model van wat het decor moet worden.
massaregie
de vorm van regie met veel figuren. In stukken met veel figuren (zwijgende rollen), bijvoorbeeld opstandig volk, ontwerpt de regisseur een passend bewegingspatroon.
masker
attribuut voor een acteur om zijn ware gezicht te verbergen.
masque
maskerade of maskerspel is een toneel-, muziek- en dansspektakel dat hoofdzakelijk in de 16de en 17de eeuw in aristocratische kringen populair was.
matinee
middagvoorstelling
melodrama
toneelgenre; bijzonder treurig verhaal dat soms triest, soms hoopvol eindigt. "Het leven is een groot tranendal."
merde
Frans voor poep. In Vlaanderen gebruiken ze dat op dezelfde manier als toi-toi in Nederland.
mime
toneelgenre; gebarenspel zonder woorden, gebaar om gedachten, emoties e.d. uit te drukken. mimelariseren
lijkt op mime, maar te klein, onecht. (bijv. telefoneren met duim en pink aan oor als hoorn)
mimespeler
iemand die het gebarenspel beoefent = mimicus, pantomimespeler
mimiek
gezichtsuitdrukking, maar ook gebarentaal.
mimus
(Gr. mimos: toneelspeler) Een van oorsprong Grieks toneelgenre (5e eeuw v.C.) dat in Rome al vroeg populair werd. Het dagelijks leven stond erin centraal. Het succes ervan berustte vooral op de obscene inhoud. De voorvallen werden voornamelijk door gebaren (pantomime) uitgebeeld. Herodas (ca. 3000-ca. 250 v.C.) gaf deze kluchten een literaire vorm. Van hem is een aantal sketches in jambische versmaat, mimiamben, met dialogen uit het dagelijks leven bewaard gebleven.
mirakelspel
een middeleeuwse vorm van toneel die voortkwam uit het liturgisch drama. De mirakelspelen draaiden vooral om de verbeelding van heiligenlevens. Maria en andere heiligen speelden daarom een hoofdrol in de ontknoping
In het Nederlands is Mariken van Nieumeghen (uit het begin van de 16e eeuw) het bekendste voorbeeld.
mise-en-scène
alle afspraken over de manier waarop de toneelspelers zich tijdens een voorstelling op het toneel bewegen; het zichtbare gedeelte van de regie.
monoloog
een gesprek met jezelf. Hardop.
Moraliteit
de benaming voor een middeleeuws toneelspel uitgevoerd in de volkstaal. Kenmerkend voor de moraliteit is het optreden van allegorische personages, die de verpersoonlijking zijn van (on)deugden, en een didactische strekking, d.w.z. met het doel een morele les te leren.
musical
musical comedy, film of theater waarbij een deel van de tekst gezongen wordt.
muziektheater
theaterproducties met muziek, vaak musicals
mysteriespel
behoort tot de vroegste vormen van toneel in Europa
Het spel ontstond in de kerk uit een vorm van aanschouwelijk onderwijs, waarbij geestelijken een gebeurtenis uit de bijbel verbeeldden via dialoog en beurtzang
nagalm
echo die soms hinderlijk kan zijn in een theater, maar ook soms kunstmatig gemaakt wordt voor bijzondere effecten.
nooduitgang
elk theater heeft extra uitgangen die alleen gebruikt mogen worden bij brand en paniek.
no spel
of kortweg no (Jap.: nō ), is een belangrijke vorm van klassiek Japans muzikaal drama dat sinds de 14e eeuw wordt uitgevoerd
nulpunt
vast punt op het toneel, nuttig om te weten waar het midden is voor het zetten van decorstukken.
opbouwen
het decor en de rekwisieten op het toneel zetten.
open doekje
applaus midden in een voorstelling, omdat het publiek iets goed gespeeld of mooi gezegd of gezongen vindt.
openluchttheater
is een met zorg uitgekozen plek, waar de toeschouwers een voorstelling in de buitenlucht kunnen bijwonen. De oudste nog bestaande theaters vindt men in de landen rond de Middellandse Zee. Hier werden veelal religieus getinte voorstellingen gespeeld.
opera
toneelstuk waarom alle teksten gezongen wordt en muziek de handeling begeleidt.
opkomst
tussen de coulissen door het podium oplopen.
ovatie
slotapplaus van grote omvang van een kennelijk zeer tevreden publiek.
ovationeel, ovationele
het karakter dragend van een ovatie: een ovationeel applaus.
overacting
overdreven spel, te grote gebaren, teveel emoties, te .... enz.
oyama
(of onnagata) is een man die een vrouwenrol speelt.
Dit gebruik komt uit Japan. Het gebruik stamt uit 1629 toen onder het shogunaat van Tokugawa besloten werd dat vrouwen niet meer mochten meespelen in de kabuki toneelvorm. Toendertijd werden de vrouwenrollen hoofdzakelijk waargenomen door prostituee's, hetgeen door dit shogunaat als slecht voor de publieke moraal werd beschouwd. Een oyama wordt vanaf zeer jongen leeftijd opgeleid om te lopen, praten en handelen als een vrouw. In 1900 toen er voor het eerst filmstudio's zijn opgericht in Japan was het voor vrouwen verboden om aan cultuur te doen. Dus om in theaterstukken en films vrouwenrollen te laten zien maakte men gebruik van oyama's.
paljas
oorspronkelijk een met stro (Lat.: palea: stro) gevulde hansworst uit het Napolitaanse volkstheater. Te vergelijken met Pierrot. Zijn kostuum was rood-blauw-wit.
pantomiek
expressie door houding en gebaar.
pantomime
toneelgenre; gebarenspel zonder woorden.
pantomimespel ('l'art du silence')
zie mime
papieren theater
Theater dat gemaakt is uit een bouwplaat. Daarbij horen prenten met figuren en decors. Na het knip- en plakwerk kan het spel beginnen. Het papieren theater was vooral in de negentiende eeuw zeer in zwang. In de huiselijke kring werden meestal populaire toneelstukken opgevoerd, die drastisch waren ingekort. De figuurtjes worden op het miniatuurtoneel van boven of van opzij heen en weer bewogen of geschoven.
parabase, parabasis
vast onderdeel van de Griekse oude komedie. Het is een intermezzo halverwege het stuk, waarin het koor zich rechtstreeks tot het publiek wendt om, uit naam van de schrijver, ongezouten kritiek te leveren op gebeurtenissen en personen. Vooral politieke figuren moesten het ontgelden. (Gr. parábasis: het overschrijden.)
partheneion
Gr. lied voor een meisjeskoor. Behoort tot de klassieke Griekse koorlyriek. Van Alcman (7e eeuw v.C.) zijn delen van een partheneion ter ere van de godin Orthia overgeleverd.
pathosspeler
zie: protagonist
Par-blazer
theaterlamp, bestaat eigenlijk uit niets anders dan een lamp en een kokervormig huis, dat nog het meest lijkt op een kachelpijp
parodie
toneelgenre; het belachelijk maken van alle andere genres, behalve de parodie zelf, door de eigenschappen van het te parodiëren genre enorm te vergroten. (verhaallijn, personages of onderwerp)
passiespel
een soort toneelvoorstelling over het lijden van Jezus Christus voor en tijdens de kruisiging
Van oorsprong een uit de middeleeuwen stammend mysteriespel. Deze spelen waren een in de volkstaal gespeelde populaire vorm van de kerkelijke vieringen rond Goede Vrijdag en Pasen. Het gebruik duurde voort tot in de 16e eeuw. In de 17e eeuw leefde de traditie weer op, eerst in het Duitse Oberammergau. Dit vond navolging in andere Europese landen als Oostenrijk, Frankrijk, België en Nederland.
pathosspeler
De eerste of hoofdrolspeler en daarmee de belangrijkste van de drie dramatische personae in het Griekse drama. Algemeen neemt men aan dat de Griekse dichter Thespis (2e helft 6e eeuw v.C.) als eerste deze rol tegenover het koor geplaatst heeft en daarmee de schepper van het toneel werd. Aeschylus voegde hier de deuteragonist of antagonist (tegenspeler) aan toe en Sophocles de tritagonist
patineren
kleren of decorstukken vies maken, zodat ze er gebruikt uitzien.
pauze
het stoppen. Rustpoos bij een toneeluitvoering. Bijv.: veertig minuten pauze, kleine pauze. (Lat. ´pausa´)
pente
hellend podium, daardoor heeft het zittende publiek goed zicht op al wat zich afspeelt.
Performance
voorstelling waarin een kunstenaar zijn eigen lichaam als materiaal gebruikt om een idee te verbeelden.
Persiflage
spottende imitatie; een persiflage overdrijft enkele kenmerken van het origineel met de bedoeling dit belachelijk te maken.
Personificatie
persoonsverbeelding, levenloze dingen en begrippen als een persoon voorstellen op grond van een overeenkomst.
Perspectief
1. plaats van waaruit een object bekeken of in beeld gebracht wordt; onderscheiden worden het vogelvluchtperspectief, kikvorsperspectief en ooghoogteperspectief ; zie daar; 2. in literatuur: personage van waaruit een verhaal verteld wordt. Het perspectief kan bij een ik-, jij- of hij-verteller en bij een alwetende verteller liggen; 3. in beeldende kunst: verzamelterm voor vormen van ruimtesuggestie: atmosferisch perspectief, kleurperspectief en lijnperspectief.
personage
de rol die een acteur vertolkt
pias
zie paljas
pierrot
personage afgeleid van Pedrolino uit de commedia dell´arte; type van de knecht (valet), die Harlekijn als grote tegenspeler had (bij Flaminio Scala). Pierrette, de vrouwelijke Pierrot, was clownesker.
pijpen
aan de onderkant van een fond/fries/gaas een stalen pijp stoppen, zodat het betreffende fond/fries/gaas strak hangt.
pipo
soort schijnwerper, een hele ouderwetse profielspot(snijder)
plankenkoorts
Dat je niet op het podium durft te staan. Dat je dat eng vindt.
plano-convex spot
(p.c.) is een spot met een lens waarvan de bundel in grootte verstelbaar is.
plastiek
het uitdrukken van gevoelens door middel van je lichaam. ('body language'/lichaamstaal)
plot
verhaalstructuur, de handeling in grote lijn
plotloos drama
In de loop van de twintigste eeuw zijn er diverse theaterrichtingen ontstaan die geen gebruik maken van de klassieke plot of verhaalstructuur. Sommige symbolische of absurdistische stukken missen een plot. Evenals in de romanliteratuur zocht men in het theater naar een vorm die vrij was van iedere anekdotiek.
podium
verhoging om voor publiek op te treden. (=) bühne
podiumkunsten
de artistieke disciplines die op een podium worden beoefend.
poot
verticale delen van de afstopping in het theater. Het zijn hoge gordijnen, meestal van zwarte of donkerblauwe stof. hangen achter elkaar, zowel links als rechts op het toneel, en hebben een vergelijkbaar effect als lamellen. Ze zorgen ervoor dat het publiek niet kan zien wat zich in de coulissen afspeelt. Een acteur kan tussen de poten gaan staan, klaar om op te komen, zodat hij wel kan zien wat er op het toneel gebeurt, maar voor het publiek onzichtbaar blijft
pose plastique
stokstijf blijven staan. (=freeze)
praktikabel
plaatselijke verhoging van speelvlak bestaande uit een (meestal opvouwbare) kooi met daar overheen een dekplaat. een podium op een podium.
première
eerste voorstelling voor een publiek.
proagon:
rondgang voor alle deelnemers (acteurs, musici, choreutai) op de eerste dag van de in het voorjaar te Athene gehouden Grote Dionysiën - het belangrijkste feest ter ere van Dionysus.
procenium
voorste ruimte van het toneelvlak. zie plattegrond
proceniumtrek
een trek die voor de manteau hangt
productieleider
leider van de technische, organisatorische en financiële problemen van een of meerdere opvoeringen.
profielspot
theaterlamp, ook wel genoemd als de "effectschijnwerper", vooral gebruikt om speciale belichtingseffecten te bereiken in een voorstelling.
programma
boekje, folder of origineel gevormd stuk papier dat het publiek krijgt/koopt. Hierin staan de namen van de spelers, medewerkers.
proloog
voorspel, meestal een monoloog die dient als inleiding op het te spelen stuk.
props
zie rekwisieten
proscenium
het voorste gedeelte van de toneelvloer, (Zie plattegrond)
protagonist
iemand die de hoofdrol (voorvechter: hij is "pro"- voor, hij wil iets) vervult; vroeger in het oude Griekenland was hij ook de baas over de andere spelers en organisatie.
publiciteit
affiches, berichten in kranten of dorpsblaadjes om mensen te laten weten dat er een voorstelling gemaakt is en gegeven wordt.
publiek
belangstellende, geïnteresseerde mensen die naar een voorstelling komen kijken. Vaak familie en donateurs.
quartzlamp
kwartslamp, lamp met glas uit bergkristal dat tegen grote hitte kan.
raccord
snelle technische doorloop om de lichtstanden, cues en changementen te checken.
reading
het lezen) Eigenlijk play-reading. Het door een toneelgezelschap gezamenlijk hardop lezen van een op het repertoire te nemen toneelstuk, waardoor de acteurs zowel een eerste indruk van het gehele stuk als van hun eigen rol krijgen. Doorgaans geeft de regisseur tijdens de reading zijn eerste aanwijzingen betreffende de dictie , die de spelers dan in hun tekst kunnen aantekenen.
realistisch toneel
toneelgenre; toneel over de dagelijkse gang van zaken, met allerlei elementen als komisch, hilarisch, triest, spannend, romantisch.
recensent
iemand die een recensie (beoordeling/bevinding) schrijft over een voorstelling.
recensie
beoordeling van een voorstelling in een krant of tijdschrift, ook bespreking genoemd.
recette
al het entreegeld dat voor een voorstelling door het publiek is betaald.
regie
de manier waarop een toneelstuk wordt uitgevoerd, de taak van de regisseur.
regieassistent(e)
assistent(e) van de regisseur. Scriptgirl. Schrijft alles op wat de regisseur vastlegt.
regisseur
iemand die een idee heeft over hoe een voorstelling moet worden, die de rollen verdeelt en de toneelspelers begeleidt tijdens de repetities, oftewel die de verantwoordelijkheid heeft voor de inhoudelijke en artistieke inhoud van een programma.
rekwisieten (requisieten)
alle voorwerpen die in een voorstelling worden gebruikt.
rekwisiteur
iemand die de rekwisieten bij elkaar zoekt
Rembrandtlicht
Belichting volgens de belichtingsprincipes zoals Rembrandt deze toepaste.Praktisch betekent dit dat het hoofdlicht net zoals bij de schilderijen onder een hoek van 45° op het onderwerp valt.
repair
afplakken
repertoire
alle stukken die een toneelgezelschap ingestudeerd heeft.
repetitie
het instuderen van een voorstelling.
repetitieruimte
de ruimte waar gerepeteerd wordt. 't Speeltoneel oefent / repeteert in Pinkeltje te Pijnacker.
reprise
herhaling, heropvoering van een vroeger gegeven toneelstuk.
revue
toneelstuk bestaande uit een aaneenschakeling van losse toneeltjes en voordrachten waarin allerlei activiteiten aan bod komen, meestal afgewisseld met zang en dans.
richtmicrofoon
Microfoon met een gerichte gevoeligheid.
rol
de persoon die je in een toneelstuk speelt. Kan ook een dier / ding zijn.
rondhorizon
gebogen blauw achterdoek met grote ruimtelijke werking
scène
een afgerond gedeelte van een toneelstuk.
scène a faire
soort scène in 19e-eeuwse toneelstukken, onder invloed van de Romantiek, voorkomende grote speelscène waarin de acteurs zich geheel konden laten gaan.
scènewisseling
wisseling van scènes.
scenograaf
zorgt voor alles wat bij een voorstelling zichtbaar en hoorbaar is voor het publiek en niet direct door de acteurs of dansers wordt voortgebracht. Decors, kostuums, figuren, rekwisieten, licht, geluid, grime…
schellinkje
goedkope zitplaatsen voor het volk, waar het zicht en geluid niet zo goed waren, zie ook engelenbak
schmieren
andere spelers aan het lachen proberen te maken terwijl je op het toneel staat. Het is ook overdreven spelen om de aandacht van het publiek te trekken (=) cabotineren.
schouwburg
een plek waar je toneel kan spelen of naar kan kijken. Er zijn diverse type schouwburgen ontstaan in de loop der eeuwen.
schuiftoneel
een wijze van toneel waarbij naar het voor het publiek zichtbare decor zich onzichtbaar reeds het decor voor de volgende scène bevindt. Het principe van deze verschuifbare decors was in de klassieke oudheid bij de Grieken al bekend onder de naam ´ekkyklèma´.
scoren
(=) decoderen. Onderdeel van een toneelstuk: coderen, stapelen en scoren.
script
boek met de tekst van een toneelstuk, (=) brochure.
set
toneelopbouw
sketch
kort toneelstuk, meestal luchtig van karakter
solo
in je eentje
souffleur
een fluisteraar. Vroeger zat de souffleur in een hokje half onder het podium, tussen de voetlichten. Als een toneelspeler zijn tekst niet meer wist fluisterde de souffleur die voor. Nu zijn er haast geen souffleurs meer.
speelvlak
de plek waarop toneel gespeeld wordt.
spelschakel
een omslag in het spel. Spelschakels zitten bijvoorbeeld bij het ontstaan van een idee, schrik, een emotionele reactie, enzovoort. Na een spelschakel verandert de spelrichting vaak. Het advies is om de spelschakel overwegend fysiek te spelen, dus niet alleen met tekst tot stand te brengen
spelstroom
Er is sprake van een spelstroom wanneer de spelers ontspannen vanuit hun rol in de gespeelde werkelijkheid reageren. Het kost even voordat een spelstroom op gang komt
speltempo
De intensiteit van het spel en het tempo waarin dit plaatsvindt. Vooral bij productgericht drama kan er soms door gebrek aan tekstkennis of een hoge speldrempel het gevaar bestaan dat het speltempo te laag ligt, met een grotere kans op fouten en vaak minder boeiend spel. Maar bij kinderen zie je ook wel dat door enthousiasme het speltempo te hoog ligt. Wanneer je dit door een tip of regieaanwijzing wat omlaag brengt, zijn de teksten gelijk beter verstaanbaar en is er ook meer rust om tot samenspel (interactie) te komen.
Stanislavski
Konstantin Sergejevitsj Stanislavski, (1863–1938), Russisch acteur, regisseur en toneelleider, was een van de grootste theoretici van het 20ste-eeuwse toneel. Hij streefde naar een zorgvuldig naturalisme in decor en kostuum en naar een realistische, meer natuurlijke speelstijl
stapelen
spanning opbouwen
stil spel
Dit is non-verbaal spel waarin de spelers weergeven hoe hun rol op dat moment de gespeelde situatie ondergaat, wat dit personage van de situatie vindt. Stil spel versterkt de inhoud van het spel en maakt dit helderder
straattheater
een voorstelling die op straat, plein gespeeld wordt.
synopsis
korte beschrijving van de inhoud van het stuk, samenvatting.
tableau vivant
levend schilderij. Groep personen als beeldengroep, levend schilderij. Een vorm van toneel waarbij de spelers in een fraaie of karakersitieke pose zwijgend iets uitbeelden. Dikwijls had een tableau vivant een allegorische voorstelling of een dramatische situatie uit de geschiedenis of bijbel tot thema. Vaak werd een tableau vivant door een gesproken tekst toegelicht, soms ook van begeleidende muziek voorzien. Hoewel deze vorm van zwijgend toneel in onze eeuw vrijwel verdwenen is, genoot ze grote populariteit bij de welgestelde burgers uit de 18e en 19e eeuw, die ook voorstellingen in huiselijke kring organiseerden.
Een veel gebruikte tableau vivant is "het laatste avondmaal" . (Fr. 'levend beeld')
tafereel
(=) scène
technische doorloop
repetitie waarbij alleen bewegingen, (licht)standen e.d. worden doorgenomen.
tegenspeler
speler die samen met een ander in de hoofdrollen speelt. Bijv: aan iemand een goede tegenspeler hebben. zie antagonist
tekstschrijver
iemand die de teksten schrijft voor een toneelstuk of liedjes.
terzijde
een stijlfiguur, de acteur treedt plotseling uit de scène en richt zich tot het publiek.
theater
schouwburg, toneelgebouw, ook: toneel(spel), opvoeringen, datgene wat er te zien is in de schouwburg. Hiertoe behoren naast het drama ook circus, goochelen, jongleren, revue, cabaret, toneel, ballet, opera, operette, musical en pantomime.
theatercoup
onverwachte wending in het verloop van de handeling
theatersport
theatersport is een improvisatievoorstelling in de vorm van een wedstrijd.
theaterwetenschap
studie van het de dramatiek, de toneelkunst.
Het centrale object van de huidige theaterwetenschap is de voorstelling, in ruime zin opgevat als de presentatie van speelbare gegevens voor een publiek door middel van lichamelijke handelingen en overige scènische en filmische expressiemiddelen. Binnen dit complexe geheel zijn het theatrale gegeven, de presentatie en het publiek de hoofdcomponenten.
Afgestudeerde theaterwetenschappers werken in het algemeen als dramaturg bij toneelgezelschappen, als recensent, als wetenschappelijk medewerker of onderzoeker bij universiteiten, als beleidsmedewerker bij gezelschappen, overheden en culturele instellingen, of als docent op een theaterschool.
theatraal
behorend tot, betrekking hebbend op het toneelspel, bijv. het theatraal effect, ook: op onnatuurlijke wijze indrukwekkend, op effect berekend. bijv. theatraal optreden (met zeer veel vertoon).
theatron
theater bij de Grieken, open lucht arena met ronde centrale orchestra.
thriller
toneelgenre; een spannend verhaal. Een groep mensen wordt geconfronteerd met een probleem dat bedreigend is voor het voortbestaan van dat groepje mensen.
toeschouwer
iemand die iets aanziet; iem. die naar een voorstelling, wedstrijd e.d. kijkt. bezoeker van en kijker met enige aandacht naar toneelstuk, ook wel spectator (passiever/Eng.). Deel van het publiek.
toi
toneelterm. succeswens. Vaak driemaal achtereen gezegd om iemand succes te wensen voor een voorstelling. (alternatief: break-a-leg)
toi toi's
kleine cadeautjes voor de première voor de spelers om geluk te brengen
tomaat
rode groente/vrucht, werd vroeger wel eens gebruikt als werpmiddel om ontevredenheid te uiten.
tonadilla
Een in Spanje vanaf ca. 1750 gezongen driedelig tussenstuk bij toneeluitvoeringen. Vergelijkbaar met het Italiaanse intermezzo. (Sp.)
toneel
toneelspelen, de plaats waarop toneel gespeeld wordt.
toneelbeeld
de totale aankleding van de voorstelling, décor, meubilair, rekwisieten.
toneelfeuilleton
serie toneelvoorstellingen die een vervolg zijn opelkaar
toneelgenre
zie genre
toneelschrijver
schrijver van toneelstukken
toneelstem
overdreven, galmende stem
track
geluidsband speciaal voor een voorstelling gemaakt.
tragedie
toneelgenre; een verhaal over een held die een gouden toekomst tegemoet lijkt te gaan, maar door het noodlot achtervolgd wordt en uiteindelijk verschrikkelijk ten onder gaat.
tragi-komedie
toneelgenre; een mengvorm, vaak meer een komedie die tragisch afloopt, dan een tragedie die komisch afloopt.
trek
een buis over de hele lengte van een het toneel, (in de meeste theaters hangen die trekken om de 20 cm van voor naar achter), aan touwen waarmee decors en doeken opgehesen en neergelaten kunnen worden.
tritagonist
(Gr.: derde speler) In het klassieke Griekse toneelstuk staat de tritagonist tussen de protagonist en de antagonist in. Hij speelt in het conflict een bemiddelende en activerende rol. Via hem lopen de draden van de intrige of verwikkelingen, d.w.z. de complicaties waarvoor de hoofdrolspeler en tegenspeler zich gesteld zien.
troubadour
middeleeuws minnedichter, -zanger, een zingende en componerende dichter in Zuid-Frankrijk in 12e en 13e eeuw. Troubadours waren of van ade, of verbleven, wanneer ze uit de gelederen van het volk kwamen, lange tijd achtereen aan hetzelfde hof. In hun poëzie komt voor het eerst de hoofse liefde voor en ook het ideaal van de onbereikbare geliefde (geïntroduceerd door Jaufré Rudel, prins van Blaye). De eerste troubadour was Willem IX, hertog van Aquitanië en graaf van Poitiers. De beroemdste is Bernard de Ventadour.
try-out
proefvoorstelling voor de première om na te gaan hoe het publiek reageert.
type
persoon, figuur die wordt gespeeld
uit de rol vallen
tijdens het spelen iets zeggen of doen wat niet bij de rol hoort
uiterlijke regie
de mise-en-scène (het regelen van de opkomsten en afgangen en verdere bewegingen van de personages), het creëren van het toepasselijke handelingen, een goede uitspraak en intonatie en afwisseling in tempo. De regisseur geeft aanwijzingen aan de decorontwerper, costumier en rekwisiteur. Het decor, kostuums, toneelaankleding en ook belichting en geluidsdecor dienen zijn visie te ondersteunen. Uiteraard houdt hij bij dit alles rekening met genre, tijd en plaats van het stuk.
uitvoering
hoort niet bij het toneel maar bij andere gezelschappen die iets aan het publiek willen laten zien. Vaak verward met voorstelling.
underacting
zeer ingetogen manier van (toneel)spelen. Het tegenovergestelde van overacting.
Vaudeville
luchtig muzikaal toneelstuk
verhalend theater
toneelgenre; door vorm en effecten wordt het publiek duidelijk gemaakt dat zij naar iets 'gemaakt' kijkt. Intellectueel betrokken raakt, niet emotioneel. Vaak met vertellers die de verhaallijn onderbreken met terug- of vooruitblikken.
vestiaire
(=) garderobe
vet spelen
overdreven spelen
vierde wand
in een lijsttheater spelen de acteurs alsof ze in een kamer zijn met vier wanden. De vierde wand is dan de doorzichtige wand van lucht tussen de spelers en het publiek.
voetlicht
lichtbakken vooraan op de podiumvloer.
volgspot
een schijnwerper die een persoon op toneel volgt.
voorstelling
vertoning van toneel/theaterkunsten aan het publiek.
vrije secor
ongesubsidieerd toneel, zogenaamde commerciële producties die vaker gespeeld moeten worden om investering terug te verdienen. Zoals musicals.
vrijkaartjes
gratis kaartjes.
W´s
Wie? Wat? Waarom? Waar? Wanneer?
Vijf belangrijke vragen om een spel mee op te bouwen.
1. Wie ben je? (de rol die je in het drama speelt.)
2. Wat ben je aan het doen? (de handeling, dus wat er gebeurt in het drama.)
3. Waarom gebeurt dat? (Vanwege het probleem, het conflict waarop je gefocust bent.)
4. Waar speelt zich dit af? (De plaats van handeling.)
5. Wanneer gebeurt het? (De tijd.)
wacht
afgesproken woord of gebaar dat goed onthouden moet worden omdat er daarna iets speciaals moet gebeuren, bijvoorbeeld een verandering van het licht of de opkomst van een andere speler.
wagenspel
in de middeleeuwen en de zestiende eeuw werd er straattheater gegeven op een stilstaande kar door rondtrekkende wagenspelers, komedianten, kwakzalvers, muzikanten en toneelspelers. Zingend, springend, musicerend en mallotige gebbetjes uithalend, werd in een mum van tijd een plek in beslag genomen. Behendig toverden ze speelplek en wagen om tot bos, huis, paleis of gevangenis
werklicht
licht dat boven het podium brandt als de spots niet aan zijn, vaak tijdens de opbouw
witje
pauzes in de tekst, (gedachtenpauze, effectpauze, enz.). Ook betekent dit vrijkaartje.
x
kruisjes van plakband of tape op de podiumvloer. Zo kan je bijvoorbeeld zien waar decorstukken komen te staan of waar een bepaalde speler moet staan om in het licht te staan.
ijsberen
heen en weer lopen van het kast naar de muur en van de muur naar het kastje. Als je, je bijvoorbeeld wil concentreren voordat je opkomt kun je gaan ijsberen.
zetstuk
een los décorstuk, decorelementen die meestal bestaan uit een frame waarover doek gespannen is. De vakken kunnen met elkaar verbonden worden door fitsen (een soort scharnieren) en krommers die in de plaats komen van de scharnierassen. Ze worden in evenwicht gehouden door schoren en verzwaard met kluiten (gewichten) ook toneelbroden genoemd
zichtlijn
de plek in de zaal waar net nog goed/slecht zicht is op het podium
zug-um-zug
de te nemen stappen van het toneelspelen, je rolfiguur reageert volgens de vijf stappen, te weten observeren, incasseren, overwegen, besluiten/schakelen en reageren.
zwarte doos
vlakke vloertheater, binnenkant zwart geschilderd.
Internet is van en voor iedereen. Voel je vrij gebruik te maken van bovenstaande informatie. Heb je een tip of zie je iets staan wat volgens jou niet klopt, laat het mij weten. mail naar : 't Speeltoneel III, ondervermelding van "woordenboek"
Bronnen: Dramaland, Nederland Theaterland, "Theatrale speelwijzen in de twintigste eeuw" door Karel Hupperetz, "Handboek Amateur Theater", Walter Vermeer, Theaterspel.nl, Joke van Leeuwen, "geschiedenis van het drama en toneel in Nederland", inbreng door leden van 't Speeltoneel III, D.Segijn, digischool.nl.