S.van Breemen,Hilversum: generaal rayon Hilversum 1990.



KOPPELEN PER COMPUTER!


Naast de technologische vernieuwingen kenmerkt de tijd waarin we leven zich door een zoeken naar nieuwe vormen van samenleven, werken, samen­werken, beslissen. Nieuwe life styles en structuren. We beleven een tijd die wordt gekenmerkt door een grote mate van differentiatie, waardoor des-orientatie ten aanzien van normen, waarden en doelstel­lingen kan ontstaan. Daar waar de maatschappij volop in beweging is, staat de duiven sport vrijwel stil. En met haar nagenoeg het grootste deel van haar beoefe­naars. Slechts een enkeling steekt zijn nek uit en probeert over de eigen schutting heen te kijken. Dikwijls worden dergelijke mensen met een scheef oog aan gekeken. Het geloof in zichzelf wordt doorgaans niet erg positief gewaardeerd. Zij worden niet begrepen, lijken eigen­wijs of arrogant en voldoen in ieder geval niet aan het verwachtings­patroon dat wij als duivenliefhebbers ten aanzien van elkaar hebben opgebouwd. Een van de mensen die voortdurend bezig is grenzen te ver­leggen, te innoveren, is de onaangewezen generaalkampioen 1990 van het rayon Hilversum, Steven van Breemen.


Een paar voorbeelden? In het begin van de jaren '70 toog hij naar Hongarije om daar bij de geneticus professor Alfons Anker de beginse­len van de populatie genetica onder de knie te krijgen.

Hij publiceerde vervolgens over de voor hem verworven kennis en voor­spelde een nationale asduif te zullen gaan kweken. Voorspellen is één, het waarmaken is een ander chapiter. Steven van Breemen deed het:2e beste vitesseduif 1981 WHZB(NL77-990312) en 1e en 9e beste jonge duif 1987 WHZB (NL87-1725207 en NL87-1725217).

Hij bracht vervolgens het boek van professor Anker "a repülö ke­resztrejtvény" in bewerkte en vertaalde vorm op de markt. Een operatie die zeker niet iedereen gegeven is om tot een goed einde te brengen.

Voorts ontwikkelde hij zich als een ware globetrotter. Het ontdekken van vreemde culturen is een grote voorliefde van hem. Juist doordat hij zijn kennis van duiven en de duivensport nooit onder stoelen of banken heeft gestoken, heeft hij ook in het buitenland een zekere faam verworven. Daardoor kan hij regelmatig zijn beide passies op uitnodi­ging combineren.

Zijn laatste grensverleggende activiteit is het voor eigen gebruik ontwikkelen van een geautomatiseerde en volledig geïntegreerde duiven­administratie.

En hoewel het nog wel een jaar of twee zal duren voordat het zijn definitieve vorm heeft, leek het mij een aardig idee om aan de hand van Steven's brainstorm over deze duivenadmini­stratie U kennis te laten maken met een opmerkelijke kampioen in de duiven­sport.


EEN NIEUWE MARKT.

Onze, zich snel ontwikkelende, maatschappij verandert vooral onder invloed van de voortschrijdende automatisering en informatisering. Ook in de duivensport is sinds mensenheugenis behoefte aan het opslaan van informatie. Het veelvuldig in herdruk verschenen dagboek van Cor de Zeeuw zaliger is één van de oudste en bekendste vormen daarvan.

Naarmate de home- en personalcomputer meer en meer gemeengoed werden in de nederlandse gezinnen, waren er natuurlijk enkele ondernemende geesten die een nieuwe markt zagen: "de duivensport".

Op de laatste N.P.O.-manifestatie in Rosmalen waren er al een stuk of drie bedrijven die hun duivensportsoftware voor thuis gebruik aan de man probeerden te brengen. Die programma's gaan doorgaans niet verder dan het vervaardigen van, overigens goed ogende stambomen, het opslaan van wedvluchtgegevens en het produceren van hoklijsten.

Ook bij Steven van Breemen verscheen in de tachtiger jaren een p.c. in de huiskamer die -mede- voor duivensportdoeleinden aangewend ging worden. Hij maakte daarvoor gebruik van een programma van britse ori­gine. Steven bracht daar tot op heden de gegevens van zo'n 1500 duiven in onder.

Steven van Breemen is een man die de duivensport op een wat andere wijze beoefent dan de doorsnee liefhebber. Daar waar een ander goede duiven probeert te kweken om kampioen te worden, wordt Steven kampioen omdat hij betere duiven probeert te kweken. In dat kader concludeerde hij na enkele jaren dat het programma niet volledig vol­deed aan zijn inmiddels gegroeide behoeften. Bovendien deed het onvol­doende recht aan de mogelijkheden die een p.c. nu eenmaal biedt. De gehele wijze waarop Steven van Breemen zijn sport beoefent, is gericht op het op een beredeneerde wijze kweken van een betere sportduif. En bij een dergelijke doelstelling past eigenlijk alleen maar een geauto­matiseerd programma dat op maat is gemaakt.

Daarom ontwikkelt Steven samen met zijn vriend Hans van Grieken uit Bovenkerk, de helft van de succesvolle combinatie van Leeuwen-van Grie­ken (in 1990 onaangewezen generaal kampioen van de afdeling Am­sterdam!), een programma dat moet voldoen aan hun individuele wensen. Daar­bij levert Steven de ideeën en zorgt Hans voor de programmatische invulling ervan.

Het nieuwe programma levert net als de "klassieke" programma's nog steeds de mogelijkheid tot het samenstellen van stambomen en het op­slaan van wedvluchtgegevens. Ook is het mogelijk overzichten te produ­ceren. Maar daarbij gaat men wel verder dan "gewone" programma's. Naast de overzichten van doffers en duivinnen (=hoklijsten) hebben Steven en Hans zich de mogelijkheid geschapen overzichten te maken van bijvoorbeeld: kwekers en vliegers of van duiven met een bepaalde ei­genschap of kenmerk zoals bijvoorbeeld alle duiven met grijze ogen.

De spil van het programma is echter het rapport dat Steven aan iedere duif geeft. In dat rapport waardeert hij iedere duif op een aantal eigenschappen die Steven voor de kweek van belang acht.

Professor Anker bracht Steven bij wat de waarde van de verschillende eigenschappen in de kweek is, terwijl hij zegt van Piet de Weerd de fijne kneepjes te hebben geleerd als het gaat om het herkennen en waarderen van deze eigenschappen.


WAARNEMEN.

Toch maak ik bij dit laatste een kanttekening. Afgezien van het feit dat we lang niet altijd wetenschappelijk is vastgesteld òf en waarom iets goed of fout aan een duif is, is het waarnemings-vermogen van de mens beperkt en beïnvloedbaar.

Als U naar de 3 figuren van Luckiesch (1965) kijkt, zult U waarschijn­lijk, net als ik, tot de conclusie komen dat in de bovenste figuur de horizontale streepjes niet even lang zijn, in de middelste figuur de cirkel  niet rond is en in de onderste figuur de horizontale lijnen niet recht zijn. Ik daag U echter uit om met behulp van een liniaal uw bevindingen te controleren. Uw ogen bedriegen U!

Als het al niet meevalt om dergelijke eenvoudige figuren te beoordelen, hoe moeilijk moet het dan al niet zijn om bijvoorbeeld de kwali­teit van de spieren van een duif te beoordelen. Ik denk dat het gros der liefhebbers dezelfde duif in verschillende toestanden, zoals pie­per/bejaard, dagelijks losvliegend/vasthouder, tijdens ziekte of in topconditie, op even zoveel verschillende wijzen zullen waarderen.

Toch is Steven een liefhebber die er wel iets van kent. Beroemd zijn zijn uitslagen in de zeventiger jaren op de vitesse en de midfond. Ook heden ten dage is dat voor Steven nog geen gepasseerd station. Hij speelt zijn duiven tegenwoordig echter zoals hij dat noemt "safe".  Vroeger speelde hij ze veel scherper maar moest tot zijn spijt ervaren dat, wanneer de weersomstandigheden te wensen over lieten, hij uitste­kende duiven kwijt raakte. Tegenwoordig belt hij bij zulke verwachtin­gen op vrijdagmiddag vanaf zijn werk zijn vrouw om haar te vragen de duiven nog wat extra pinda's te geven. Hij accepteert dan ook dat zij bij thuiskomst een poosje blijven vliegen. Kennen we Steven tegenwoor­dig vooral als een jonge duivenspecialist, ook op de fond staat hij al jaren zijn mannetje. Zo scoorde hij in 1990 op nationaal St.Vincent rayon midden, met zes duiven mee, de volgende prijzen: 176, 1075, 1493, 1766 en 3459 tegen 19.353 duiven.

Maar dat terzijde want wij hadden het over het waarnemingsprobleem. Het is een probleem wat kennelijk door Steven van Breemen onderkent wordt. Om die reden waardeert hij zijn duiven ook nooit als jonge duif. Bij de selectie van de jonge duiven tellen dan ook primair de prestaties die zij geleverd hebben. In tweede instantie wordt dan nog eens naar de afstamming gekeken. Er is in het eerste levensjaar zo weinig van een duif te zeggen, dat het volgens Steven geen zin heeft om ze dan al te keuren op vliegtechnische eigenschappen. Het waarde­ren, of zo U wilt, het keuren, en selecteren doet hij als de duiven in winterrust zitten.

De hokken worden dan nog maar één maal per week schoon gemaakt. Dat gebeurt dan op zaterdagmorgen. Tenminste, als er geen duivenpieten op de stoep staan, want dan kan het wel eens gebeuren dat er een week­je wordt overgeslagen. In dit jaargetijde krijgen de duiven nog slec­hts één maal per twee dagen schoon drinken en worden zij één keer per dag gevoerd. Door zijn duiven aldus te verzorgen, houdt Steven niet alleen tijd voor andere zaken over, hij beproefd daarmee ook het natuurlijke weerstandsvermogen van de duiven en hij speculeert op extra motivatie en vorm bij de duiven als hij tijdens het vliegseizoen weer de puntjes op de i zet.

Doordat de duiven onder die winterse verzorging gemiddeld genomen in een ge­lijke conditie verkeren, wordt iedere duif zo objectief mogelijk ge­waardeerd. Let wel, ik schrijf "zo objectief mogelijk" en niet "ob­jec­tief". Steven van Breemen daarover: "Echt objectief ben je nooit. Doordat je je duiven eerst op latere leeftijd keurt, ken je voor een deel hun prestaties. Een ècht goede duif zul je altijd geneigd zijn hoger te waarderen".

Om die individuele rapporten van zijn duiven te objectiveren had Ste­ven een computerprogramma nodig dat meer bood dan hetgeen de "stan­daard" programma's doen en hetgeen zijn oude, handmatige boekhoudsys­teem deed. In het door hem en Hans van Grieken ontwikkelde programma is er in voorzien dat de wedvluchtprestaties van een duif doorberekend worden aan de voorouders.

Aldus krijgt iedere duif dus een waardering die gebaseerd is op haar individuele eigenschappen, haar vliegprestaties en haar kweekwaarde. Bij die individuele eigenschappen wordt onderscheid gemaakt naar lichamelijke kwaliteiten, geestelijke eigenschappen en vitaliteit.

Met een dergelijk systeem is het mogelijk de beste kweekduiven uit een populatie te halen. Of het ook werkt?

Ik vroeg Steven welke duif hij op dit moment als zijn beste kweekduif beschouwd. Zonder aarzeling noemde hij zijn "'68" (NL82-448368). Deze doffer won in 1985 het bondsconcours van de N.A.B.v.P. vanuit Chateau­roux. Hij heeft 3 eerste prijzen in groot verband op zijn conto staan en als het niet zo'n akelige binnenkomer was geweest, dan hadden het er wellicht nog een handvol meer kunnen zijn. Deze doffer nu, zo stelt Steven, is voor een belangrijk deel de voorvader van zijn huidige kolonie duiven.

Inmiddels heeft hij er tot in de 5e generatie eerste prijswinnaars uit gekweekt. Met die wetenschap vroeg ik Steven de computer aan te zetten en het apparaat uit te laten zoeken welke nu de beste kweekduif is. De doos waardeerde de "'68" als een beste kweker. Toch vond de computer nog één duif die volgens zijn gegevens beter was. Maar dat was dan ook de moeder van de "'68"!


"RAS".

De rapportages per duif stellen Steven in staat om per computer zijn duiven te koppelen. In het programma is daarvoor een aparte module opgenomen, waarmee de computer volgens de verwerkte informatie (data) voor iedere duif de meest geschikte partner opzoekt. De vraag rijst wellicht of dit een niet wat te klinische benadering van het kop­pel­vraagstuk is. Bij nadere overweging lijkt mij dit toch niet. Want het maakt uiteindelijk geen verschil of je plezier beleefd aan het in de winterdag eindeloos volschrijven van vellen papier in de hoop het koppel te vinden dat in het toekomende jaar dé gouden eieren voor je zal leggen, of dat je dat doet door het pionieren met een computer.

Het laatste heeft uiteindelijk wel als voordeel dat een machine zich niet laat leiden door menselijke gevoelens zoals vooroordelen en emo­ties. Een computer gaat uit van de feiten die je er in hebt gestopt.

Het is toch immers zo dat een duif die afstamt van wereldberoemde ouders, jongen kan geven die niet de gewenste kwaliteiten bezitten, terwijl een hokgenoot, afstammende van doodgewone "huis-, tuin- en keukenduiven", wèl in staat kan zijn om die broodnodige kwaliteiten door te geven! Roem en eer verdwijnt als sneeuw voor de zon bij het voortschrijden der tijd. Een liefhebber met een nuchtere kijk op de zaken houdt dit in het achterhoofd en een computer kan onder voorwaar­den een nuttig hulpmiddel daarbij zijn.

Om als bewaker van het duivenbestand sturing te kunnen geven aan even­tueel gewenste processen, is in de koppelmodule een keuze-mogelijkheid aangebracht. Zo kan Steven de computer opdracht geven koppels samen te stellen om een bepaalde afstandsgeschiktheid te ontwikkelen of te onderhouden. Ook kan hij op die manier koppels samen stellen tussen rassen waarvan in het verleden de combinatie op het hok van Breemen is gebleken.

De oorsprong van de kolonie van Steven wordt gevonden bij  de beroemde "Klare" van Desmet Matthijs uit Nokere. Steven heeft in het verleden kans gezien om een aantal kleinkinderen van deze geweldenaar aan te schaffen. De populatie die hij daarmee vormde, trachtte hij te verede­len met duiven van diverse andere rassen. De meest geslaagde kruisin­gen deed hij met duiven van het ras van de Gebroeders Janssen uit Arendonk, die hij overigens steeds uit verschillende milieus haalde.

Evenals ik hierboven, gebruikt ook de computer de term "ras". Omdat die term een mate van zuiverheid veronderstelt die -in mijn ogen-  in de onze huidige duivensport een utopie is, vroeg ik Steven naar het waarom van het gebruik van die term.

"Ik geef niets om grote namen. Waar het om gaat is goede duiven. Wij gebruikten de term "ras" omdat het beestje voor de computer een naam moet hebben, maar wij bedoelen lijnen, families. Vroeger ging ik naar een hok met naam en kocht dan meerdere duiven om mijn kans op succes te vergroten. Omdat ik in de loop der tijd een duif beter heb leren beoordelen, is een "ras" voor mij niet meer belangrijk en kan ik mij beperken tot het kopen van een duif waar ik mijn zinnen op heb gezet".

Aldus Steven van Breemen, die vervolgde met de volgende illustratieve anekdote: "Zo kocht ik op de verkoop van ene Riesen uit Lippenhuizen in Friesland zeven duiven. Van deze duiven heb ik er één weggegeven. Met de resterende zes duiven vormde ik drie kweekkoppels waar ik ont­zettend veel succes mee heb. Hoe kwam ik er nu bij om bij een betrek­kelijk onbekende liefhebber duiven te kopen? Wel, als jongen ging ik jaren geleden met Ton Bollebakker op de bromfiets naar de Gebroeders Willequet in Kwaremont (België). Daar zaten in die tijd de echte "Sti­chtelbout"-duiven, die toen een geweldige indruk op mij maakten. Toen ik de duiven van die Riesen onder ogen kreeg, was het net of ik de duiven van de gebroeders Willequet van jaren geleden op mijn netvlies geprojecteerd kreeg. Ik voelde dat het goeie waren en daarom kocht ik ze".


DATA VERZAMELEN.

Steven van Breemen is er van overtuigd dat de computer  een belangrij­ke schakel zal vormen in zijn streven naar nog betere duiven te kweken dan hij al heeft. Bij die ontwikkeling is het teneinde de computer bij het koppelen zo juist mogelijk zijn werk te laten doen van belang om van ieder gevormd koppel zo veel mogelijk data te verzamelen. Om die reden heeft hij veel kweekkoppels, wordt er veel gekweekt en wordt er met alle jonge duiven veel gespeeld. Mede daar­door heeft hij zich ontwikkeld tot een echte jonge duiven specialist.

Hij kweekt jaarlijks zo'n 200 jonge duiven voor eigen gebruik, die vanaf het spenen tot drie weken voor de eerste vlucht, verduisterd worden. Vervolgens worden die jonge duiven goeddeels op nest gespeeld. Het is al eerder in dit blad betoogd dat de winst van dit systeem vooral zit in het feit dat deze duiven volledig bepluimd het op de laatste jonge duivenvluchten moeten opnemen tegen hun "kale" concur­renten. Duiven die als jong hard vliegen, zijn bij Steven dikwijls ook als oude duiven zijn beste. Hij is echter wel van mening dat de dui­ven, wanneer zij als jong zo op het scherpst van de snede worden ge­speeld, als vliegduif twee jaar minder lang mee gaan.

Ook bij Steven van Breemen leidt dit systeem jaarlijks tot uitslagen die je eigenlijk niet voor mogelijk houdt. Ik som voor U de successen op op de jaarlijkse derby Orleans rayon 8. Niet omdat daarop altijd de beste uitslagen werden behaald, maar eenvoudig weg omdat dat de vlucht is die het gros der liefhebbers het meeste aanspreekt.

1987:   27, 54, 59, 86, enz. tegen 26.984 duiven;

1988:   2, 12, 23, 61, 111, 114, 134, 141, enz. tegen 28.542 duiven (117 mee, 45 prijzen);

1989:   5, 8, 9, 11, 12, 14, 16, 17, 18, 22, 24, 38, 79, 82, 84, 86, 102, 106, 114, 126, 130, enz. tegen 23.546 duiven (113 mee, 53 prijzen.)

Bij deze paternosteruitslagen moet nog worden aangetekend dat het binnenkomen van de jonge duiven van Steven een crime is. Voor 1990 was hij echter te rade gegaan bij wat je zou kunnen  noemen, de oos­terse duivensportcultuur. Naar Bangkoks voorbeeld is Steven bij thuis­komst van de jonge duiven met een lange bamboestok te vinden op het dak van het hok. Een­maal daaraan gewend laten de duiven zich eenvoudig naar binnen drijven waar zijn vrouw Anneke klaar staat om de duiven te klok­ken.

Ondanks deze nieuwe dressuur ging het in 1990 in het tropische weekend van 4 augustus helemaal mis. Steven had voor de vlucht van die dag vanuit St. Quentin (297 km.) 111 duiven ingekorfd. Van deze duiven kwamen er vijf redelijk kort achter elkaar thuis en die zijn dan ook allen in de kop van de uitslag van het rayon Hilversum te vinden (5, 9, 11, 12, enz. tegen 1393 duiven). Daarna verliepen de aankomsten, zoals vrijwel overal elders, uiterst traag. Resultaat van een warm weekend: behoor­lijke verliezen en op een hand vol na alle nesten ver­broken. Op de nationale derby Orleans ging het in 1990 dan ook een stuk minder als de jaren ervoor: 289, 295, 689, 870, enz. tegen 19.969 duiven (57 duiven mee, 16 prijzen.)

Overigens is Steven van mening dat hier een taak had gelegen voor de N.P.O.. Die had, met het weerbericht in het achterhoofd, en al dan niet via de F.C.I., moeten putten uit de ervaringen op het gebied van vervoer en verzorging tijdens dat vervoer bij zusterorganisaties in het verre Oosten. Daar worden bij tropische temperaturen vluchten georganiseerd die een regelmatig verloop kennen. Hoewel de duiven daar wellicht beter geacclimatiseerd zijn, hadden de tips van onze  verre sportvrienden misschien toch waardevol kunnen zijn.

Wanneer U nu denkt dat het Steven zeer spijt dat een groot deel van een veel belovend jonge duivenseizoen op de wijze naar de vaantjes is gegaan, dan heeft U het mis. Althans als het gaat om de kampioenschap­pen, want Steven houdt nu eenmaal op een wat andere wijze duiven als de doorsnee liefhebber. Wel gaat het hem zeer aan het hart dat hij nu veel informatie moet missen over zijn jonge duiven en dus over zijn kweekkoppels. Die informatie had hij broodnodig voor zijn geautomati­seerd systeem. Nu wordt één slecht seizoen er bij het voortschrijden der jaren wel uit gemiddeld, maar voor de korte termijn acht hij die informatie eigenlijk onontbeerlijk.


DNA-FINGERPRINTS.

Iedere ongelovige Thomas zal zich afvragen of hetgeen hierboven is be­schreven kan werken. Of het leidt tot een betere wedstrijdduif? Aanne­melijk is dat, indien en zodra het programma volledig operationeel is en mits er zo volledig en consequent als moge­lijk mee gewerkt wordt en wanneer er over voldoende data kan worden beschikt, het op termijn zeker een bijdrage kan leveren. Of die bijdrage groot zal zijn en of het hèt antwoord is waarop wij als postduivenkwekers zitten te wach­ten, daarover kun je, in de huidige vorm van het systeem, je twijfels hebben. Die twijfels komen dan voort uit de gebrekkige wetenschappe­lijke onderbouwing van onze kennis over de wedstrijdtechnische kwali­teiten van de postduif en het beperkte vermogen van de mens om zaken waar te nemen. Het idee op zich heeft wel waarde, maar er is waar­schijnlijk meer nodig is om echte stappen vooruit te maken.

Zoals bijvoorbeeld het wetenschappelijk onderzoek naar en het gebruik van "DNA-fingerprints". Science fiction denkt U? Wellicht, maar ik ben daar toch niet zo zeker van. Van de veterinair adviseur van de N.P.O., drs J. van der Sluis, vernam ik dat het thans mogelijk is om aan de hand van die "DNA-fingerprints" te achterhalen wie de ouders van een duif zijn. Stamboomfraude kan nu dus op een effectieve manier bestre­den worden.

De volgende stap is het onderzoeken van welke genen verantwoordelijk zijn voor het feit dat de ene duif eerder thuis komt dan de andere. Kwestie van tijd en veel geld, heel veel geld.

Tot het zover is, en dat kan nog wel even duren, is het alternatief van Steven van Breemen best interessant om te ontwikkelen. Steven gelooft in het systeem. Het geeft een extra dimensie aan de vreugde die hij aan zijn hobby be­leefd. En wat nog veel belangrijker is: Ste­ven gelooft in zich zelf!

In de geschiedenis zijn er tal van grote onderzoekers en ondekkers geweest, waarvan de gôe gemeente zich af vroeg of de brave man ze in zijn bovenkamer wel allemaal op een rijtje had, totdat het belang van de ontdekking of uitvinding werd onderkend.

Zo'n vaart zal het met de bovenkamer van Steven niet lopen. De wereld evolueert en de duivensport moet daarin mee als zij haar aantrekkings­kracht op de mens wil blijven behouden. Persoonlijkheden als Steven van Breemen zullen daarin een belangrijke rol spelen. En al mocht in de toekomst blijken dat Steven's brainstorm niet de weg is die wij zoe­ken, dan nog staat het voor mij als een paal boven water vast dat het een belangrijke bijdrage, misschien wel een onmis­bare schakel, zal zijn naar een betere wedstrijdduif.




* * * * *




S.L.M. van Breemen, Hilversum: overwinnaar Chateauroux rayon 5.

                                                                    

GOOISE VEDETTE SLAAT WEER TOE!
                                                                    

                                                               
We schrijven 1983. In NABvP-bondsconcours vanuit Dourdan worden de 5.382 deelnemende duiven verslagen door de NL82-448312. Die 312 van '82 is een frêle duivinnetje van het onvolprezen ras Jan Aarden. Zij brengt met haar overwinning roem aan haar, in het duivenliefhebberswe­reldje dan al bepaald niet onbeken­de, baas Steven van Breemen uit Hilversum.

1985. Het in dat jaar door de NABvP georganiseerde bondsconcours vanuit Chateauroux wordt gewonnen door de NL82-448368, een kras weduwnaar met Desmet-Matthijsbloed in de aderen. Die "368" ofwel "De Goede Jaarling" was een echte kanjer. Tot aan zijn overwinning vanuit Chateauroux ver­scheen hij in groot verband maar liefst 18 keer op het eerste blad van de uitslag. En dat op vitesse/midfondconcoursen waarop gemiddeld ruim 3700 duiven per vlucht op werden ingezet. Die gewelde­naar bracht de overwinning naar alweer Steven van Breemen.

1992. De NL91-5055626 overklast op 18 juli in het N.P.O.-con­cours Chateau­roux rayon 5 alle tegenstrevers en eist de erepalm voor zich op. De "626" is een blauwband weduwnaar en een zoon van de hiervoor genoemde weergaloze "Goede Jaarling". Hij doet niet veel voor zijn illustere vader onder. Als jonge duif mistte hij op 9 inzetten geen enkele maal zijn prijs. Dit jaar speelt hij als jaarling vooral op de eendaagse fond sterk. De "626" werd gekweekt en gespeeld onder de gelukkige handen van, alwèèr, Steven van Breemen.


VISIE

Gelukkig was Steven alleszins met zijn overwinning. Contacten met liefhebbers uit het Amsterdamse hadden hem op een hogere snelheid van de eigen kleppers doen rekenen.  Toen die verwachting niet werd inge­lost was de hoop op een vroege klassering al hoog en breed vervlogen toen de "626" te 16.17 uur arriveerde. Als dan later blijkt dat je alsnog het zoet van de overwinning mag proeven, maakt je dat dubbel gelukkig. Overigens bleek in rayon 3 de eerste duiven van het N.P.O.-concours Tours ruim honderd meter per minuut meer te hebben gevlogen.

Wie Steven als een gelukkige liefhebber typeert in de zin dat hij veel geluk heeft, doet hem veel tekort. Geluk is onontbeerlijk in de duivensport maar met geluk alleen scheer je niet jarenlang hoge toppen zoals Steven dat doet. In de jaren '70 kreeg hij college van wijlen de Hongaarse geneticus professor Alfons Anker. Daaruit vloeide een visie op de duiventeelt waarover Steven in dit Orgaan al eens aantal inte­ressante artikelen wijdde. Als je met een dergelijke visie een aantal grote concoursen weet te winnen, hoge ogen gooit in de nationale competitie "Wie heeft ze beter" en generaal kampioen in groot verband wordt, dan kan dat bijna geen geluk meer zijn. Het heeft alles te maken met de wijze waarop je met je sport bezig bent.


DE OVERWINNAAR.

Zoals gezegd werd de overwinnaar geboren uit die geweldige "Goede Jaarling". J.M. de J. omschreef bij gelegenheid van diens overwinning op het NABvP-concours als volgt:

""De NL82-448368 is een bijzondere duif. Slim, wilskrachtig, intelli­gent en eigenzinnig. Dat is me bijgebleven van de ogen­blikken dat ik hem op z'n hok zag en hem in de hand had. Natuur­lijk waren spieren, vleugel en oog perfect. Toch maakte de licha­melij­ke kwaliteit minder indruk op me (hoe goed de duif ook in de hand is) dan de geestelijke eigen­schappen.""


Juist vanwege die bijzondere geestelijke eigenschappen werd de "Goede Jaarling" in 1991 gekoppeld aan de NL81-1135172. Die "172" ofwel het "Schoon Blauw" is een uiterst krachtige duivin die juist om die reden aan de "Goede Jaarling" werd gekoppeld. Bovendien vererft zij die eigenschap opmerkelijk goed. Zo werd ze met andere doffers al moeder van de 3e beste asduif jong in 1983 en de 5e beste asduif jong bij "Wie heeft ze beter".

In 1991 werd ze dus moeder van de "626", die in zijn geboortejaar 7e duifkampioen jong in de kring Hilversum en omstreken werd. Dit jaar scoorde hij op de ééndaagse fond opmerkelijk goed: Etampes 300/1683 d., Orleans 23/1236 d. en Bourges 32/805 d.

Ook de "626" is, net als zijn vader, goed gebouwd: een sterk karkas, een mooie vleugel en een oog met veel zwarte streepjes. Maar ook bij hem maken de geestelijke eigenschappen minstens zoveel indruk. Met veel geweld probeert hij zich uit je handen te wringen en net als zijn vader is hij zeer eigenzinnig bij het binnenlopen na een vlucht.


VEDETTE.

Steven van Breemen is ongetwijfeld één van de grote vedettes in de Gooise duivensport. En dat niet alleen omdat hij de zoveelste zege aan zijn reeds rijk gevulde overwinningentableau toevoegt.

Het N.P.O.-concours Chateauroux 1992 zal zeker niet de boeken in gaan als één van de meest lastige concoursen. Toch wordt de kop van de uitslag beheerst door liefhebbers die in Midden-Nederland allen reeds ruim­schoots hun boontjes hebben verdiend.

B.Kooijman, Vianen (1e nat.midden St.Vincent 1990 en 1e bondsconc­.NABvP Bourges 1991), J.van Straaten, Utrecht (meervoudig kampioen fondclub Utrecht), Comb. Schlotter-van Wettum (gene­raal kampi­oen kring Hilversum 1991), Comb. H&O, Nieuwen­dijk (meervou­dig generaal kampioen afd.M en overwinnaar NABvP-conc. Bourges 1989) en W. de Heus eveneens Nieuwen­dijk (meervoudig aangewe­zen generaal kampioen afd.M), zij allen zagen kans om één of meerdere vroege duiven te constateren. Ze moeten echter stuk voor stuk het hoofd buigen voor Steven van Breemen die met 24 duiven mee met constate­ringen te 16.17, 16.29, 16.34, 16.35, 16.44, 16.44, 16.48, 16.52, 16.59, 17.05, 17.12, 17.16, 17.16, 17.20, 17.29 en te 17.36 uur de show steelt!.




* * * * *

   
Onaangewezen generaal NABvP (20.000 leden) in 1993 en 1994.

A ship in harbour is safe, but that is not what ships are bult for (Shedd.)



Steven van Breemen is een fenomeen in de duivensport. Een fenomeen in bijna alle betekenissen van het woord: zeldzaam, zonderling en tegelijkertijd genieachtig. Zeldzaam als het gaat om het aantal klinkende successen van de meest uiteenlopende aard. Zonderling als het gaat om het zoeken naar de weg naar dat succes: hij is wars van het volgen van plat getreden paden. En bijna een genie als het gaat om het kweken van hard presterende duiven. Keer op keer lukt het hem weer om in het oog springende duiven aan de start te brengen. Aanvankelijk had Steven niet veel trek in een reportage in dit Orgaan. Ook dat hoort bij hem. Sterallures zegt u misschien. Eigenzinnig zeg ik. De denkbeelden van Steven zijn dikwijls controversieel. Zijn 'recht-door-zee' houding roept wel eens weerstand op. En zijn kettinguitslagen maken vele concurrenten moedeloos. Maar om al die redenen is er ook.veel van hem te leren.

Met het citaat boven dit artikel trok ik hem alsnog over de streep. Steven besloot om niet in de veilige haven te blijven. Maar hij bleef voorzichtig. Op een aantal brandende vragen kreeg ik geen antwoord. Die antwoorden hield hij voor zichzelf. Zoals ik al zei: eigenzinnig.


Uitslagen NABvP-concoursen 1994 St. van Breemen, Hilversum:

Etampes, 10.775 d., 34 mee, 12 prijzen: 54, 194, 198, 348, 650, 655, 1021 enz.
Orleans, 7.586 d., 33 mee, 25 prijzen: 5, 7, 12, 29, 52, 93, 216, 229, 245, 331, 347, 400, 402, 406, 422, 493, 498 enz.
Bourges, 6.886 d., 32 mee, 22 prijzen: 5, 6, 35, 40, 207, 236, 249, 360, 379, 458, 556, 559, 588, 673, 779, 852 enz.
Orleans, 5.656 d., 26 mee, 13 prijzen: 2, 3, 38, 55,150, 162, 190, 371, 383, 392 enz.
Chateauroux, 5.283 d., 29 mee, 17 prijzen: 4, 6, 9, 42, 93, 123, 126, 185, 296, 388, 409, 450 enz.
Roye, 13.348 j.d., 146 mee, 43 prijzen: 58, 107, 135, 182, 203, 216, 286, 288, 599, 630, 742, 868 enz.
Orleans, 10.186 j.d., 103 mee, 60 prijzen: 7, 44, 68, 74, 114, 115, 159, 161, 189, 193, 200, 241, 295, 318, 334 enz.
Etampes, 4.597 d., 29 mee, 19 prijzen: 24, 75, 134, 217, 275, 292, 293, 386, 484, 502, 516, 657, 681, 865, 881 enz.
Kampioenschappen 1994 St. van Breemen, Hilversum:

1e Generaal onaangewezen NABVP
1e Generaal onaangewezen Rayon 5 NABVP
1e Oude duiven aan- en onaangewezen NABVP
1e Dagfond aan- en onaangewezen Kring Hilversurn e.o.
1e Dagfond aan- en onaangewezen Rayon Hilversum
1e Dagfond keizerkamploen Fondclub Gooi & Eemland
1e Asduif Dagfond Fondclub Gooi & Eemland
1e Jonge duiven onaangewezen Kring Hilversum c.o.
1e Jonge duiven onaangewezen Rayon Hilversum
BLINKEND GOUD

Steven van Breemen is niet aan zijn proefstuk toe. Het begon allemaal in de zeventiger jaren. Met zijn al dan niet met andere soorten gekruiste Desmet-Matthijs duiven richtte hij zich vooral op de vitesse/midfond concoursen waarop hij geweldige paternoster uitslagen maakte. Omdat zijn duiven ook op de overige concoursen niet verzaakten, werd hij toen al generaal kampioen van Kring Hilversum.

Wat later kreeg hij aardigheid in de overnachtvluchten en stak daar z'n energie in. Vervolgens werden de jonge duivenconcoursen populair en werd Steven een van de specialisten die er in dat métier zijn. De laatste jaren richt hij zich met succes op de eendaagse fondvluchten.

En bij al die specialisaties worden we steeds weer geconfronteerd met opmerkelijke successen. Het is alles goud wat er blinkt. In 1981 had Steven met zijn NL77- 990312 de 2e Beste vitesseduif bij WHZB. In 1983 won hij met,het fréle duivinnetje NL82-448312 het NABvP-bondsconcours vanuit Dourdan (5.383 d.). Zo'n soortgelijk huzarenstukje haalde hij in 1985 nog eens uit op het bondsconcours vanuit Chateauroux (8.139 d.) met zijn 'Goede Jaarling' (NL82-448368).

Eenmaal het jonge duivenspel ontdekt, had hij met de NL87-1725207 en de NL87- 1725217 de le en 9e Beste jonge duif in de nationale competitie WHZB. Een zoon van de 'Goede Jaarling' won vervolgens in 1992 de in Rayon 5 inmiddels populaire NPO Vlucht vanuit Chateauroux (3.755 d.). Een kleinzoon (NL93-2353516) van diezelfde 'Goede Jaarling' vertegenwoordigde Nederland in de sportklasse op de Olympiade in Utrecht en werd 5e in de allround klasse.

En als klap op de vuurpijl werd Steven dus in 1993 en, 1994 met brio generaal kampioen van de NABvP.

LOTERIJ

Kampioen worden van de NABvP is geen klein bier. Zeker niet als je dat twee jaar achtereen doet. Dat is grote klasse. Het NABvP-klassement wordt vervlogen over negen vluchten waarvan er acht voor de punten tellen. Iedere deelnemer kan dus een vlucht overslaan of zijn slechtste vlucht laten afvallen. Steven van Breemen koos voor het eerst. Eén van deze negen vluchten is namelijk een overnachtvlucht (Bergerac). En Steven kiest er tegenwoordig voor om geen duiven meer in te zetten op overnachtvluchten. Want hoewel hij jaren terug op die vluchten zonder meer succesvol was, meent hij toch dat er teveel sprake is van een loterij.

Steven: 'Op de overnacht heb ik altijd goed mijn prijzen kunnen draaien. Maar ik vind die vluchten voor een heel groot deel een loterij. In feite spreek je over twee midfond vluchten in twee dagen. De nacht ertussen is heel bepalend. Vliegt een duif lang of kort door, staat ie vroeg of laat op. Dat is een pure loterij. Bovendien, daar ben ik eerlijk in, ligt het me niet zo om een paar dagen voor het hok te zitten wachten voordat er eens een keer een duif komt.'

Steven moest het bij het behalen van de NABvP-titel dus hebben van de zes eendaagse fondvluchten en de twee jonge duiven vluchten die resteerden. Dat betekende dus dat hij op die vluchten niet één keer de boot mocht missen. Sterker nog, voor het binnenhalen van deze titel moet je eigenlijk op iedere vlucht in het snuitje van de uitslag zitten. En dat lukte Steven de laatste twee jaar wonderwel. In 1994 zelfs nog iets overtuigender dan in 1993. Hoe precies, ziet u in bijgaand uitslagenoverzicht.

Toch klinkt er een relativerend geluid uit Steven's mond: 'Bij het behalen van de NABvP-titel heb ik de afgelopen twee jaar verschrikkelijk veel geluk gehad. De weersgesteldheid heeft mij meegezeten. Wanneer er tussen de voorvlucht en Hilversum een keer een flinke bak water valt, dan ben je gezien. Daar heb ik de afgelopen twee jaar gelukkig geen last van gehad. Maar zo betrekkelijk is zo'n titel dus wel. Daarom leef ik van vlucht naar vlucht. Ik probeer op iedere vlucht een goede uitslag neer te zetten. En dan is een eventueel kampioen' schap een aardige bijkomstigheid.'

TWEE TEGELIJK

Een mooie uitslag is dus het eerste doel waarnaar gestreefd wordt. Maar meer nog dan een dorre opsomming van uitslagen, zegt de wijze waarop Stevens duiven op 5 juni 1994 thuis kwamen van de 533 kilometer lange vlucht vanuit Orleans. Om 07.15 uur die ochtend kregen de duiven de vrijheid. Ondanks de noord-westen wind die werd opgegeven maakten de duiven een behoorlijke snelheid. De winnaar van het gezamenlijke NPO/NABvP-concours behaalde een snelheid van 1.365 meter per minuut.

Bij Steven van Breernen arriveerden er rond 13.45 uur twee duiven tegelijk. Woonachtig in hokken op respectievelijk het schuurtje en de aangebouwde keuken werden de duiven, na een in recordtempo verrichtte klauterpartij, te 13.46 en 13.47 uur geconstateerd. Goed voor de 5e en 7e prijs tegen 7.586 duiven. Inmiddels meldde ook nummer drie zich wiens gummi om 13.48 uur in de klok verdween. Vervolgens ging het in gestaag tempo verder: 13.52, 13.54, 13.58, 14.02, 14.03, 14.03, 14.05, 14.05, 14.06, 14.06, 14.06, 14.06, 14.08, 14.08, 14.08, 14.14, 14.15, 14.16, 14.16, 14.17, 14.18 en 14.23 uur. Ofwel 25 mooie prijzen van 33 inzetten. Zo wil iedereen wel draaien en dus vraag ik Steven het 'hoe' en waarmee van zijn succes te verklappen.

A SHIP...

Over het waarmee ofwel welke soort duiven wil Steven wel praten. We hebben het dan over zijn stokpaardje, het kweken van postduiven. Over het 'hoe' hield hij stevig zijn mond dicht. Niets wilde hij kwijt over de wijze waarop zijn duiven naar die eendaagse fondvluchten worden begeleid. En zeker niet hoe ze gevoerd worden. Tot drie maal toe probeer ik een tipje van de sluier opgelicht te krijgen. Steeds in andere woorden en steeds met een ander aanleiding. Maar Steven van Breemen was onvermurwbaar: 'De wijze waarop ik mijn duiven voor de eendaagse fond voorbereid, is iets wat ik voor mijzelf houd. Ik heb in mijn hele leven al veel gezocht en veel dingen uitgeprobeerd. Ik heb gepubliceerd over het belang van pinda's in de duivensport. Er is ooit maar één liefhebber geweest die mij daarvoor bedankt heeft. Ik heb geëxperimenteerd met mechanische verzuchting in mijn hok. Nu zijn er mensen die hun zakken vullen met dat systeem nadat ze eerst hier zijn wezen kijken hoe het werkte. Zo zijn er nog meer voorbeelden te noemen. Er zijn mensen die lezingen houden waarin ze pronken met mijn denkbeelden. Ik heb de mensen zoveel geleerd en zoveel stank voor dank gekregen dat ik de wijze waarop ik tot kettinguitslagen op de eendaagse fond kom, voor mijzelf houd.

Van zo'n opstelling wordt je als verslaggever natuurlijk niet vrolijk. Het duivensportwereldje is uiterst conventioneel. Het gros van de liefhebbers 'blijft liever in de veilige haven, slechts een enkeling verkiest de woelige baren. Er zijn maar weinig mensen die hun nek durven uit te steken. Noviteiten zijn een zeldzaamheid. Daarom houd ik aan. Ik probeer het nog maar eens met het citaat van Shedd.- 'A ship in harbour is safe.... Maar Steven van Breemen is onverbiddelijk. 'Over de selectie van duiven praat ik vrijuit. Dat heb je namelijk in de vingers of niet. Dat kun je ook bijna niet aan mensen overbrengen. Dat ligt anders met de voedermethodiek die ik heb ontwikkeld. Mijn methode van voeren is totaal anders dan wat nu op de vitesse en midfond gebruikelijk is. Als ik dat openbaar maak is het alleen maar een kwestie van nadoen. Dan creëer ik mijn eigen concurrenten. Als ik jou deze primeur geef zegt er heus niemand 'dankjewel' maar ze apen het wel allemaal na. Ik ben minder open dan vroeger. Jammer voor jou maar je zult het ermee moeten doen!'

RUST

De voedermethode bleef dus in nevelen gehuld. Het enige wat ik Steven van Breemen erover kon ontfutselen was het volgende citaat: 'Overnachtduiven moeten met weinig voer op kunnen oplopen. Die beesten gaan op dinsdag al de mand in zodat je als liefhebber weinig invloed hebt op hun conditie. Mijn duiven zijn totaal anders. Die moet ik echt naar de vlucht toebrengen. Ik voer ze zo dat ze in het etmaal dat ze in de mand vertoeven verder oplopen.'

Over de wijze waarop de Van Breemen duiven overigens worden voorbereid op de eendaagse fondvluchten, noteerde ik tussen de regels door toch wat bijzonderheden zodat daar alsnog een beeld van geschetst kan worden.

Van november totdat ze tien dagen broeden komen de duiven niet buiten. De duiven hebben in die periode volstrekte rust. Het koppelen van de vliegduiven gebeurt op een moment dat het Steven uitkomt. Meestal is dat rond einde januari. De vliegduiven azen gedurende twee á drie weken een jong. Daarna laat Steven ze weer op eieren komen waarna ze na tien dagen broeden op weduwschap gaan. We praten dan over begin april.

Steven van Breemen moet woekeren met de ruimte. Achter zijn woning is maar een klein plaatsje. De kleine hokjes zijn - zelfs tijdens het weduwschap - dicht bevolkt. 'Eerder een voordeel dan een nadeel', meent de bondskampioen, 'het bevordert de rivaliteit en dat hebben duiven nodig om te kunnen presteren'.

Zodra de doffers op weduwschap staan gaan ze twee keer per dag los. De weduwnaars vliegen tot en met Etampes (half mei) alle programmavluchten. Die vluchten worden beschouwd als invlieg vluchten. Van de 45 weduwnaars is jaarlijks zo'n 75 tot 80% jaarling. Zij moeten het spelletje nog leren, vandaar dat ze reeds in april op weduwschap gaan. Maar veronderstellen dat deze duiven op die vluchten voor spek en bonen mee doen, is al te naïef. Daarvan getuigen de uitslagen in Kring Hilversum zoals die in 1994 werden behaald: 73/4 Strombeek 4.619 d. 45 mee: 13, 14, 29, 34 37, 38, 39, 43, 44 enz. 1415 Valenciennes 3.947 d. 45 mee: 2, 4, 16, 17, 53, 59 enz.

Na Etampes vliegen de duiven om de week een eendaagse fondvlucht. Dat geldt ook voor duiven die op de vitesse/midfond beter uit de voeten blijken te kunnen dan op de fond. Want de duiven worden niet uit hun ritme gehaald ter wille van een enkele midfondvlieger.

Rust is een belangrijk ingrediënt bij de voorbereiding Steven: 'Ik ben specialist en ik speel tegen veel, laat ik het maar recht voor zijn raap zeggen, amateurs. Die amateurs heb ben allemaal Etampes gespeeld en gaan dan voor Orleans nog eens Pont Saint Maxence spelen. Die vlucht was in 1994 een drama. Mij deerde dat niet want mijn duiven zaten. thuis. Mijn duiven waren dus lekker uitgerust toen ze aan Orleans begonnen. In de kring pak ik de vijf eersten. Iedereen schrikt dan maar in feite is het de liefhebbers hun eigen schuld dat ze op achterstand komen.

MÜLLENHOF

Steven van Breemen typeert zichzelf dus als een specialist. Een bewuste keuze. Hij ziet er, na alle successen uit het verleden, een uitdaging in. Steven: 'Vroege duiven draaien in de afdeling op de eendaagse fond tegen een overvlucht van, zo'n 60 kilometer, dat is voor mij het mooiste wat er is. Als de duiven vlot op elkaar komen dan is dat puur genieten. Komen ze in vergelijkbare zin op de vitesse, dan ren je je suf. Dat vind ik weer niks'.

Een keuze die ook gevolgen heeft voor de wijze waarop hij zijn duiven selecteert. Want volgens Steven's opinie lacht een duif zich helemaal suf om een vluchtje van driehonderd kilometer. 'Als ik hier af en toe vijftig jonge duiven tegelijk thuis krijg, dan kan het niet anders of die korte stukjes is iets heel simpels voor een duif. Die vluchtjes kun je met een slechte duif winnen. Als je maar een goed hok hebt, een goede methode en als liefhebber bereid bent om er veel aan te doen, dan kan dat. Maar zodra een duif twee nachten in de mand zit en meer dan 500 kilometer moet afleggen, dan wordt het anders. Zeker als er een kopwind staat. Die vluchten worden alleen gewonnen door complete, evenwichtige duiven in optimale conditie', aldus Steven van Breemen.

Het soort waar Steven destijds furore mee maakte op de vitesse/midfond blijkt ook excellent te kunnen presteren op de eendaagse fondvluchten. 'Maar', zo stelt Steven, 'tegenwoordig selecteer ik wel op een andere manier dan dat ik dat voorheen deed. Ik ben vooral verder gegaan met duiven die voorheen ook al bewezen op die eendaagse fondvluchten goed mee te kunnen. Naar die types ben ik bewust op zoek gegaan. Daar moet je dus naar kweken, daar moet op je selecteren. Vroeger had ik er misschien een paar, nu probeer ik er veertig van op het vlieghok te hebben. De moderne eendaagse fondduif moet lang en makkelijk kunnen vliegen, Tal van factoren zijn daarop van invloed. Waaronder uiteraard de vleugel. Ik ben dus in mijn kolonie ook op zoek gegaan naar duiven met een korte voorarm. Ik selecteer daar nu ook op. Duiven met een langere voorarm komen bij mij niet op het kweekhok. Ook al hebben ze nog zo goed gevlogen. Na wat de Duitse geleerde Müllenhof ons leerde is het bepaald geen nieuws als ik schrijf dat snelle vogels over korte armen en korte voorarmen beschikken. Maar het is tegelijkertijd opmerkelijk dat die vaststelling bepaald geen gemeengoed is onder duivenliefhebbers.
Müllenhof stelde vleugelreeksen op waarbij' hij inzichtelijk maakte welke vleugeltypes sneller en langer konden vliegen. Vogels die sneller konden vlieger dan andere bleken over kortere armen en voorarmen te beschikken en relatief gezien over langere vleugelhanden.

De relatie tussen hoge snelheid en korte arm en voorarm heeft alles te maken met het principe van de hoeksnelheid en de omtreksnelheid. Het valt buiten het bestek van deze reportage om daar nu nader op in te gaan. Maar wilt u bij uw eigen duiven de lengte van de voorarm vergelijken, laat dan uw middelvinger onder de vleugel vanaf het punt waar de pijl naartoe wijst naar het lichaam toe glijden. Zowel bij de vingertop als bij het tweede vingerlid voelt u een uitsteekseltje. Veel vergelijken leert u de kortste voorarm te ontdekken.

SELECTIE

Na Orleans jonge duiven worden de jongen direct gescheiden. De eerste selectie is op het aantal behaalde prijzen. De jonge duiven vliegen het hele programma, ofwel 9 vluchten. Daarvan moeten ze er zes prijs vliegen. Of ze moeten op concoursen met warm weer en wind op de kop echt uitblinken. Steven: 'Mijn NL93-5356389 vloog als jonge duif maar twee of drie prijsjes. Orleans jonge duiven 1993 was een hele; kwade vlucht. Maar omdat hij toen kop vloog mocht hij blijven, temeer omdat hij zijn prestatie neerzette terwijl hij zo van het schabje vloog. Ik heb van de beslissing om hem aan te houden geen spijt gekregen.

Vervolgens worden de duiven in december, als ze ongeveer anderhalve maand niet meer buiten hebben gevlogen en duiven zich puur laten zien zoals ze zijn, nog eens op lichamelijke kenmerken geselecteerd .Duiven die zeven, acht of negen prijzen hebben gevlogen maar een voddebaal in de hand zijn, gaan er subiet uit, aldus een resolute Steven van Breemen. Waarop hij, als ik vragend mijn wenkbrauwen frons, verder gaat: 'Voor dat soort emoties is bij mij geen plaats. Ik heb daar inmiddels teveel ondervinding mee opgedaan. Want we hebben het hier over. Duiven die wellicht een keer op tijd komen maar niet zeven dagfondvluchten op een rij. En die laatste heb ik nodig'.

Van de oude vliegduiven gaan de besten steeds naar het kweekhok. Als Steven tenminste veronderstelt dat zij een bijdrage kunnen leveren aan het kweken van nog betere duiven. De slechtste gaan uiteraard weg en de middenmoot blijft zitten. In dat laatste geval hebben we het over duiven die zo'n vijf prijzen winnen op zeven dagfond vluchten. Soms groeien duiven alsnog boven die middenmoot uit. Zoals de NL92-5278917. 'Die duif sprong er als jaarling echt niet uit. In 1994 deed hij het als tweejarige fantastisch. In 1995 zit hij op het kweekhok aldus Steven.

OLYMPISCH SOORT

Steven van Breemen is, zoals hij dat zelf zegt, meer kweker dan speler. Het spel dient om een bevestiging te krijgen van zijn kweekinzichten. Niet andersom zoals dat bij de doorsnee liefhebber het geval is. Daarbij laat, Steven zich bijstaan door de computer. Toen ik onlangs al zappend, naar de TV zat te kijken viel ik midden in een computerprogramma waarin Steven uit de doeken deed hoe hij bij de postduivenkweek gebruik maakt van de personal computer.

Wie met Steven van Breemen aan de praat raakt over het kweken van postduiven, is voorlopig nog. niet uitgesproken. Ik weet dat en liet hem zijn visie in een paar regels samenvatten: 'Als je bij de kweek vooruitgang wilt boeken zul je eerst moeten vaststellen wat voor eigenschappen er allemaal aan een duif zitten. Die moet je op een rijtje zetten. De kennis over die eigenschappen moet je uitdiepen en vervolgens op hun waarde schatten. Ik heb veel geleerd doordat ik op mijn reizen over de hele wereld duiven, de omstandigheden waaronder zij vliegen en de manier waarop zijn verzorgd worden, heb bestudeerd. En vervolgens ga je de eigenschappen tegen elkaar wegen. Ik geef mijn duiven voor de verschillende lichamelijke en geestelijke eigenschappen punten. Dat stop ik in de computer en door middel van een spreadsheetprogramma vertelt die mij uiteindelijk wat mijn beste duiven zijn. Op die manier zoek ik vervolgens ook de meest geschikte koppelingen uit.

Dat het ook wel eens gewoon mee moet zitten bewijst het verhaal achter Steven's beste duif in 1994, de NL93-2353516. De vader van de '516' is een zoon van de 'Goede Jaarling'. Steven had hem in 1993 gekoppeld aan een hele oude duivin. Dat liep niet helemaal zoals gehoopt. Steven: 'Bij de tweede ronde kwam dit koppel moeilijk op eieren. Tegelijkertijd had ik nog een laat duivinnetje lopen dat bij de eerste ronde nog te jong was om te koppelen. Dat duifje was afkomstig van Daems & Zn. uit België. Ik zocht het daar uit tussen veertig andere late jongen. Het bleek een dochter te zijn van het beste koppel van Daems. In feite is het Olympisch soort want Daems vertegenwoordigde België in de sportklasse op de Olympiade in Utrecht en Verona. Ik besloot om die oude doffer maar eens op dat jonge duivinnetje te zetten. Ik haalde die oude duivin weg en zette dat jonge beestje ervoor in de plaats. Normaliter zou dat vechten betekenen maar in dit geval vond die oude doffer het prachtig. Hij accepteerde haar zondermeer en vervolgens kwamen ze vlot op eieren. Daaruit werd een grijze met een witte kop geboren. Mijn vrouw was direct weg van dat beestje. En hoewel ik niet meer van plan was om nog piepers bij mijn andere jongen te spenen, besloten we om dit duifje toch nog maar te houden. Ik schat dat dit bonte duifje ongeveer twee weken met de koppel rond vloog toen de jonge duivenvluchten begonnen. Van meet af aan is hij de mand in gegaan. Aanvankelijk had, het diertje moeite om thuis te komen, maar naarmate de tijd vorderde, ging het steeds beter. Op Orleans scoorde hij zelfs een prachtige kopprijs: 43e tegen 4.711 duiven!

Inmiddels is deze doffer, zoals gezegd, uitgegroeid tot de beste duif van het hok. In de sportklasse (allround) op de laatste Olympiade bracht hij het tot de vijfde plaats.

Daartoe presenteerde hij het volgende rijtje prijzen:

1993:
St.Ghislain      2.944d:   17e
Orleans           4.711d:    43e
1994:
Strombeek      4.619d:   43e
St.Ghislain      4.265d:    16e
Valenéiennes 3.947d:       4e
Orleans           2.542d:     11e
Bourges          6.319d:       1e
Orleans           5.540d:       3e
Chateauroux  5.009d:        8e
Etampes            672d:       3e


GLOBETROTTER

Steven van Breemen is een globetrotter. Hij houdt van reizen. En overal ter wereld heeft hij duivenliefhebbers bezocht en overal probeert hij iets te leren. Als afsluiter van ons gesprek vraag ik naar het grootste leermoment op die reizen. Eindelijk komt Steven met opgestoken zeil uit de veilige haven. Meneer Shedd. heeft toch gelijk. Een schip is niet gebouwd om in een veilige haven te liggen, het moet de woelige baren op.
Het meest markante wat Steven van Breemen op zijn reizen heeft geleerd heeft betrekking op het vervoer van duiven. Steven stelt zich hard op: 'De N.P.O. heeft een onderzoek laten doen en daarmee in mijn ogen een half miljoen gulden weggegooid. Een vergelijkend onderzoek met de manier van duiven vervoeren in Thailand had hetzelfde resultaat opgeleverd maar had zeker veel minder gekost. In Thailand worden vluchten gehouden bij een temperatuur van ongeveer 38 graden. Er wordt bijna nooit een vlucht afgelast. En als je die duiven van een afttand van 400 kilometer naar huis ziet komen, ze komen als kogels. Wat nu uit het N.P.O.-onderzoek blijkt maar wat in Thailand al jaren gemeengoed is, is dat tijdens het vervoer de duiven constant drinken moeten hebben en goed verlucht worden. Maar wat wij hier in Nederland kennelijk niet willen leren is dat we die beestjes voldoende ruimte geven in de mand. In Nederland hebben we het alleen maar over goedkoop, goedkoop, goedkoop. En dus proppen, proppen, proppen in die manden. In Thailand wordt hoofdzakelijk met jonge duiven gespeeld. Jonge dieren hebben gemakkelijk last van stress. Daar geven ze als remedie de duiven de ruimte in de mand, hier in Nederland stoppen we er liever 35 dan 30 in een mand. Ik krijg zelfs te horen dat mijn vereniging buiten het concours gehouden wordt als wij 29 in plaats van 30 duiven in een box plaatsen. Dan vraag ik mij af: Waar zijn we mee bezig? Moet het dan echt zover komen dat de dierenbescherming onze problemen gaat oplossen?



* * * * *

EEN BEKENDE NEDERLANDER ....


ABE in gesprek met Steven van Breemen


Iedere postduivenspeler droomt er wel eens van: een groot kampioen zijn. Iedere week vroege duiven consta­teren. Topuitslagen als logisch gevolg van de inspanningen die je voor je duiven doet. Sportvrienden die met bewondering en misschien wel een tikje ontzag over je duiven spreken. Dat zijn van die dingen die we allemaal wel eens een keertje mee zouden willen maken.
Maar nationale of misschien wel internationale bekendheid heeft ook zijn schaduwzij­de. Afgunst, roddel, achterklap. Mensen die zich tegen je afzetten alleen maar omdat je een bekendheid bent.
Om er achter te komen hoe het is om in de internationale duivensport bekend te zijn ging Brieftau­bensport International op bezoek bij de man die in 1996 voor de derde maal één van de meest prestigieuze kam­pioen­schappen van Nederland in de wacht wist te slepen. ABE in gesprek met NABvP-kampioen Steven van Breemen.




PRESTATIES, PRESTATIES ...

Grootmeester Steven van Breemen (45) uit Hil­versum heeft eigenlijk nooit om goede duiven verlegen gezeten. Het begon allemaal in 1965 toen hij een duifje opving van Geor­ge Veijs uit Elsegem (België). Door de ade­ren van dat duifje stroomde het edele Des­met-Matthijsbloed. Bij deze lief­heb­ber wer­den diverse duiven aange­schaft. Door vak­kundig in te telen en vervolgens te kruisen met het beste wat er onder de hemel vliegt heeft hij een stam duiven geformeerd die nu reeds zo'n 3 de­cennia voor pres­ta­ties op hoog niveau zorgt.

Al in de begin jaren '70 werd hij drie jaar op rij generaal kampioen van de kring Hil­versum en omstre­ken. Door in 1993, 1994 én 1996 gene­raal kampioen van Nederlands grootste bond, de NABvP (± 17.000 leden), te worden be­wijst hij dat zijn prestaties nog im­mer niet aan glans heb­ben inge­boet.

Maar meer nog dan indrukwekkende kam­pi­oen­schappen te behalen, is Ste­ven van Breemen in staat om jaar na jaar echte top­duiven aan de start te brengen. Zo had hij in 1981 de 2e Bes­te vitesseduif in de nationale compe­titie 'Wie Heeft Ze Beter' (WHZB). In 1983 won hij tegen 5.383 duiven het NABvP-bondsconcours vanuit Dour­dan; een kunststukje dat hij in 1985 van­uit Cha­teau­roux (8.139 duiven) nog eens herhaalde met zijn inmiddels be­roemde 'Goede Jaar­ling'. In 1987 had hij de 1e en 9e Beste jonge duif bij 'WHZB'. In 1992 won Steven het con­cours van de Neder­landse Postduiven­houders Organisatie (NPO) vanuit Cha­teauroux (3.755 dui­ven). In 1995 nam zijn 'Magic Olympic Grizzle', na daar­voor reeds for­mida­bel te hebben ge­presteerd, deel aan de Olympiade in Utrecht. In 1996 ten­slotte won Ste­ven het NABvP-concours vanuit Etam­pes (11.789 duiven) en het NPO-con­cours vanuit Orleans (11.439 duiven).

Kortom, het is geen wonder dat de prestaties van Steven van Breemen door de jaren heen zowel in het bin­nen- als buitenland niet on­opge­merkt zijn gebleven.


BLOEMPJES VAN CATHARINA

Steven van Breemen is inmiddels, als het om de duivensport gaat, een be­kende Nederlan­der ge­worden. Wanneer hij over een duivenbeurs wan­delt ziet hij vanuit zijn ooghoeken de liefheb­bers elkaar aanstoten en achter hun hand fluisteren: 'Dat is 'em'. Toch is die be­kendheid geen doel op zich ge­weest toen hij aan de duiven­sport begon. Steven voelt zich dan ook ze­ker geen VIP. Hij wil een gewone lief­hebber zijn.

Niettemin bezit hij een kenmerk dat veel liefheb­bers ontberen. Steven van Breemen heeft name­lijk een hekel aan 'Bloempjes van Catharina'. Catharina was ooit tsarin van Rusland. Zij stond bekend om haar enorme werklust. Toch vond zij in haar drukke leven af en toe de tijd om in de tuin te wan­delen. Op een avond zag zij daar een wonder­schoon bloem­pje. Zij wilde niet dat dat mooie bloempje door ruwe sol­datenlaarzen ver­trapt zou worden. En dus liet zij een soldaat naast het bloempje op wacht zet­ten. Na enige tijd werd die soldaat afgelost door een tweede sol­daat. Vele jaren later stonden soldaten nog steeds op de­zelf­de plaats op wacht. Niemand wist meer waarom want het bloem­pje was uiter­aard al lang verwelkt. Toch bleef men op die plaats wacht lopen omdat 'het al jaren gebeurde'.

Steven van Breemen is niet iemand die plat­getre­den paden blijft bewan­delen omdat 'iedereen dat al jaren doet'. Hij is voortdurend op zoek naar het 'waarom'. Hij wil kunnen beredene­ren waarom iets goed of waarom iets fout gaat.

Dat is de basis om op een hoger ni­veau te ko­men. Die eigenschap maakt dat Steven toch een tikje anders is dan andere duiven­lief­hebbers. Een gesprek over de dui­ven­sport gaat bij Steven dan ook al­tijd over het 'waar­om'. En als zijn gespreks­partners niet die­zelfde 'drive' hebben om te zoe­ken naar de oorzaak der dingen, dan is zo'n ge­sprek misschien wel gezellig maar voor Steven niet bijs­ter nuttig. Met mensen als tandarts Wil­lem de Bruyn uit Reeuwijk kan hij dan ook mak­kelijk een avondje vullen. Die zit op dezelfde golflengte.



SPRAAKMAKENDE UITSPRAKEN

Bovendien ervaart Steven dat hij door derge­lijke liefhebbers als ge­lijkwaar­dig wordt be­schouwd. Want dat is vol­gens hem een nadeel van be­kend zijn: 'Bij iedere gele­gen­heid wordt je weer op­nieuw beoor­deeld en ieder woord wat je spreekt moet je op een goud­schaaltje we­gen. Ik heb het ge­voel dat mensen ergens tegen zijn als ze mer­ken dat ik er voor ben. Dat maakt het voor mij moeilijk om bij­voorbeeld op vergaderingen te spre­ken.'

Nu is het natuurlijk zo dat Steven zo nu en dan stevige uitspraken niet schuwt. Zo deed hij ooit in een inter­view een overnachtvlucht af als twee midfondvluchten in twee dagen waarbij je, om te presteren, veel geluk moet hebben. Dat werd hem door fervente over­nachtspelers natuur­lijk niet in dank afgeno­men.

In de begin jaren zeventig ging Steven van Bree­men op college bij de Hongaarse geneti­cus en duivenliefheb­ber, professor Alfons Anker. Hij deed dat omdat hij vond dat zijn presta­ties er niet beter werden hoe­wel hij ervan overtuigd was dat hij de goede soort in handen had. Hij moest nieuw bloed inkruisen maar hoe vind je nu de juiste combinatiege­schiktheid? Het ant­woord zocht en vond hij bij pro­fessor Anker.

Steven was zelfs zo overtuigd dat de theorie die hij bij Anker opdeed in de praktijk zou werken, dat hij in Neder­lands grootste dui­vensport­blad voor­spelde dat hij binnen een paar jaar een échte nationale as­duif zou kwe­ken. De hoofdredacteur van dat blad vond dat zo'n boude uitspraak dat er nooit een vervolg op dat artikel is geplaatst.

Hoe komt iemand er bij om zo'n stout­moedi­ge uitspraak te doen?  Als het niet was ge­lukt om zo'n asduif te kweken dan had Ste­ven zich on­sterve­lijk belachelijk ge­maakt. Ste­ven: 'Je bent jong en flap je er wel eens wat uit. Ik was er stel­lig van overtuigd dat het ging lukken. Maar ik kan mij nu wel indenken dat toendertijd men­sen zich daar­aan ge­stoord hebben. Ik zou dat nu in­der­daad niet meer doen.'

Die zelfverzekerdheid, het geloof in eigen kunnen dat straalt Steven van Breemen bij voortduring uit. En niet ten onrechte. Achter­af be­zien heeft Steven zelfs meerdere natio­nale as­duiven ge­kweekt. U las daarover al eerder in dit artikel.


STRESS

Steven van Breemen is een duivenlief­hebber pur sang. Er is geen jaar­getij­de of hij beleeft plezier aan zijn duiven. In het najaar breekt hij zijn hoofd over de selectie waar hij uren en dagen zoet mee is. Dan volgt de kweek, de puzzel om de koppels zo samen te stellen dat er nieuwe kampi­oenen worden geboren. En in de zomer uiteraard de wed­strijden. De spanning of de nazaten van de zorgvuldig sa­mengestelde koppels ook inderdaad het rendement opleveren wat er van ver­wacht werd. Want dat is duivensport bij Steven van Breemen: niet het re­sul­taat op de vluchten maar de re­sultaten van de kweek staan voor­op. Voelt u het verschil?

Maar om zo lang aan de top van de Neder­landse duivensport te blijven lijkt plezier in duiven alleen nauwe­lijks toereikend. Of toch wel? Steven: 'Ik geniet er iedere dag van. Natuur­lijk zijn er wel­eens mo­menten dat je­zelf vind dat het minder gaat. Maar door mij te speciali­seren op de een­daagse fond­vluchten heb ik toch veel plezier van mijn duiven terwijl het mij verhoudingsgewijs min­der tijd kost. Als je met één hok duiven het to­tale programma speelt dan kun je nooit het ni­veau halen wat je met specialisatie haalt. Je neemt deel aan minder vluchten dus je kijkt er als lief­heb­ber meer naar uit terwijl het presta­tieniveau ook nog hoger is.'

Steven van Breemen mag dan uiterlijk wel­licht een koele kikker lijken. Hele­maal vrij van zenu­wen gedurende het vliegseizoen is hij niet. Het NABvP-kampioenschap wordt vervlogen in het grootste competitieverband van heel Ne­derland waar de beste liefheb­bers met hun beste duiven aan deelne­men. U moeten weten dat de concur­renten van Steven voor dit kampioen­schap vooral in de voorvlucht gezocht moe­ten worden.

Iedere vlucht moeten de duiven van Steven van Breemen minimaal een uur langer vlie­gen. Ste­ven: 'Natuurlijk bellen die mannen in de voor­vlucht mij als zij een duif thuis hebben. Ik ga dan zitten rekenen om te weten hoe laat ik moet con­stateren om ze nog voor te kun­nen zitten. Maar als je dan vervolgens nog een uur moeten wach­ten voordat er een duif thuis zou kunnen zijn, dan gieren de zenu­wen door mijn keel. Ik krijg daar be­hoorlijk de stress van. Daar staat te­gen­over dat het een gewel­dige ont­la­ding geeft als je binnen dat uur in­derdaad een duif klokt!'

De kracht van het hok van Steven van Bree­men zit 'm in het feit dat zijn duiven een team vormen. Zij worden allemaal op dezelf­de wijze getraind en allemaal op dezelfde vlucht gespeeld. 'Program­maspelers moeten in één week misschien wel deelnemen aan een over­nacht-, een dagfond- en een mid­fond­vlucht. Al die duiven moeten anders worden voorbereid maar ze zitten wel alle­maal op hetzelfde hok. Die duiven vormen geen team. Het is onmogelijk dat ze allemaal tegelijk topvorm heb­ben', aldus Steven van Breemen.


ALGEMEEN BELANG

Mensen in Steven's omgeving vonden hem vroe­ger maar een einzelgänger, hij kon slecht tegen kritiek en was voor­al met zich­zelf bezig. Zo was de alge­mene opinie. Te­gen­woor­dig, zo zeggen zij, is hij veel meer in voor een praatje en een grap­je, het is zelfs gezellig aan de bar. De man is veran­derd, aldus mijn zegslieden.

Steven ervaart dat zelf niet zo: 'Ik doe geen extra moeite om populair te zijn. Maar mis­schien had ik vroeger mijn hart wat meer op de tong. Dat is natuurlijk een belangrijk ge­geven. Want als je goed speelt wordt ieder woord van je bekritiseerd. Bovendien wordt je na­tuurlijk wat gematigder als je ouder wordt. En inderdaad, ik pro­beer tegen­woor­dig in mijn vereniging een stukje gezelligheid te vinden. Bovendien hebben wij een aantal goe­de spelers in onze club. En dat moti­veert onder­ling ook natuurlijk.'

Het zelfvertrouwen van Steven van Breemen is spreekwoordelijk. Maar hij houdt niets voor zich­zelf. Al zijn kennis deelt hij met collega duiven­liefhebbers. Ooit nam hij de vertaling en uitgifte van professor Ankers boek 'a repülö keresztrejtvény' op zich. Was hij op de Neder­landse televisie te zien waar hij uitleg gaf hoe hij de kweek van zijn duiven met de com­puter bege­leid. Onlangs las U in dit magazi­ne nog over de ontwikkelin­gen op het gebied van postduivenver­voer.

Toch staat het eigen gewin bij Steven niet voor­op. Hij heeft steeds het algemeen be­lang voor ogen. Vandaar dat hij bestuurslid is in zijn vereni­ging en kring. Vandaar ook dat hij betrokken is bij de grote reorganisa­tie die het Nederlandse dui­vensport­bestel thans doormaakt. Immer weer bedenkt hij bij dit soort zaken hoe het mogelijk is om zo veel mogelijk liefhebbers bij de sport be­trok­ken te houden. Dat kan volgens hem alleen maar door de sport zo eerlijk mogelijk en zo aan­trekkelijk mogelijk te maken voor alle lief­hebbers.


BUITENLANDSE FAAM

Steven van Breemen heeft ook buiten Neder­land een zekere faam opge­bouwd. Niet al­leen in lan­den als Duitsland en Denemarken, maar ook in de Verenigde Staten, Australië en Taiwan. Steven is daar oprecht trots op. 'Als mensen met mijn soort duiven goed presteren dan doet me dat wat. En helemaal als dat in het verre buitenland is want die mensen moeten zich toch een hoop moeite getroosten om aan die duiven te ko­men. En als die mensen vanuit dat verre buitenland dan ook nog mijn prestaties hier in Neder­land volgen dan streelt dat je ego natuurlijk op een geweldige manier. Die bekendheid in het buiten­land overkomt je. Het is leuk maar daar blijft het dan ook bij. Ik ben niet zo'n egot­ripper die daar voortdurend mee bezig is. Ik doe er ook niets voor.'

En dat laatste zien we al eens anders. Public relations in het bui­ten­land is een vak wat verschil­lende liefhebbers goed verstaan. Zodanig dat de naam van hun duiven dikwijls meer waard is dan hun prestaties. Want het is doorgaans makkelijker om via advertenties bekend te worden dan met goede prestaties.

Ook Steven van Breemen heeft ooit in een blad dat ter gelegenheid van de beurs in Duitsland werd uitgegeven, geadverteerd. Hij werd toen vanuit Duitsland door zeer gerenommeerde lief­heb­bers benaderd omdat die niet geloofden dat de daar­in vermelde uit­slagen echt waren. 'Ik heb die lief­hebbers toen uitgenodigd om in de auto te stappen en naar Hilversum te rijden om mijn uit­slagen te controle­ren. Als ze één foutje zouden kunnen ontdekken had ik al hun onkosten be­taald. Ze durfden het niet aan. Ze zijn nooit geko­men...', aldus Steven van Breemen die tegen­woordig zijn schouders ophaalt voor dergelijke afgunst. 'Ik heb dat soort gedrag inmiddels leren accep­teren. Ik trek mij weinig aan van wat men­sen van mij vinden. Plezier in je duiven hebben dat is veel belang­rijker.'

Door zijn hobby heeft Steven van Breemen inmid­dels al wel de gehele wereld afgereisd. Er is geen land op de wereldkaart dat op duiven­sportgebied een klein beetje mee telt of Steven is er geweest. Overal wilde hij de beste duiven in zijn handen nemen. Voelen hoe zo'n dier in elkaar steekt. Ontdekken welke fysieke kwa­liteiten van een duif een goede duif maakt. Steven: 'Op mijn eerste reizen bezocht ik zo veel mogelijk hokken en liet ik in een paar dagen tijd een paar dui­zend duiven door mijn handen gaan. Zo gek ben ik tegenwoor­dig niet meer. On­langs was ik op uit­nodiging nog op een symposium in New York. Mijn gastheer daar wilde mij ook naar di­verse hokken meesle­pen. Ik heb toen be­dankt voor de eer en ge­vraagd om een aan­tal plekjes in New York te tonen die de men­sen daar zelf mooi vin­den. Zo heb ik die grote wereldstad van een heel andere kant beke­ken.' Steven kan nu dus op zijn reizen van meer dingen genie­ten dan van duiven alleen. Maar dat heeft wel tijd ge­kost, zo geeft hij toe. Want de dui­ven­sport zit nu een­maal in alle vezels van zijn li­chaam.


GEEN PROFESSIONAL

Denk niet dat de duivensport van Steven van Breemen geen offers heeft gevraagd. Ooit kocht hij samen met zijn vrouw het huisje aan de Leeghwaterstraat in Hilversum. Het huis was dringend aan een renovatie toe. Steven begon op zolder want daar moesten tenslotte de kweekdui­ven gehuisvest worden. Beetje bij beetje onder­ging het huis van bo­ven naar beneden een meta­morfose. Totdat in de huiskamer parket gelegd moest wor­den. Maar in diezelfde tijd liet Steven zijn oog vallen op een in zijn ogen geweldige duivin bij plaatsgenoot Jan van Erp. 'In plaats van parket heb ik toen inderdaad die duivin ge­kocht. Ik heb daar nooit spijt van gehad want de nak­week van die duivin was geweldig. Maar mijn vrouw stelde toen wel dat het de laatste keer was geweest dat uit de huishoudpot geld was gehaald voor de duiven. En ik moet zeggen: het is ook nooit meer nodig geweest. Ik heb voor mijn dui­ven nooit meer om geld hoeven vragen. Ze heb­ben daarna altijd hun eigen kostje ver­diend.'

Maar wie nu denkt dat Steven sinds­dien het gel­delijk gewin in een prach­tige bungalow op een riant landgoed met buitenmodel duiven­hok heeft ge­nvesteerd, komt bedrogen uit. Hij woont nog steeds in zijn kleine rij­tjeshuis. Steven: 'Ik woon hier bui­tengewoon naar mijn zin. Ik ga nog iedere dag met plezier naar huis. En mijn dui­ven schijn­baar ook. Natuurlijk ben je wel eens ja­loers als je in de krant die prachti­ge huizen met die schitte­rende dui­venhokken ziet. Maar ik heb hier alles wat mijn hartje be­geerd. Mijn accom­modatie is mis­schien niet riant maar wel ruimschoots vol­doende om de ab­solute top te halen.'

Maar al te vaak zie je dat liefheb­bers die een aantal voorbeeldige sei­zoenen achter de rug hebben, hun ko­lonie verkopen om zo een mooie finan­ciële slag te slaan. Dat met in hun achter­hoofd de gedachte dat het vol­gen­de seizoen wel eens minder zou kunnen zijn en de waarde van de dui­ven daardoor in een vrije val naar bene­den gaat. Steven van Breemen heeft een dergelijke verkoop nooit overwogen. On­danks dat hij geld met een stel opgroei­ende kinde­ren best zou kun­nen gebrui­ken. Nee, sterker nog: bij Steven sneuvelen echte cracks zelden op het veld van eer. Zij gaan stuk voor stuk bij­tijds naar Steven's eigen kweekhok. Bang dat dat ten koste van de pres­taties gaat is Steven niet. 'Je moet de dui­vensport zien als een ronde ketting. Die ket­ting wordt gevormd door schakels als de lief­hebber, de duiven, het hok, de verzorging en de kweek­me­thode. Als je die schakels nu maar niet zwak­ker maakt dan kunnen je prestaties niet achteruit gaan.'

Ook is Steven van Breemen nog steeds geen professional. Hij heeft net als tal van andere lief­hebbers nog altijd een werkge­ver die acht uur per dag een optimale pres­tatie van hem ver­langd. 'Ik ben mijn hele leven al idi­oot geweest van dui­ven. Daar heb ik misschien wel 'iets' mee voorbij laten gaan. Ik heb altijd op mijn duiven ge­studeerd. Als ik iets anders had ge­studeerd had ik het maat­schappelijk waarschijnlijk verder ge­schopt. Maar spijt heb ik daar niet van. Als ik het leven nog een keer mag over doen, dan doe ik het weer precies zo.'


EPILOOG

Steven van Breemen is een man die zijn hele sportieve leven al puike prestaties neer­zet. Pres­taties waar velen van ons hun ver­dere leven al­leen maar van kunnen dromen. Dat heeft hem tot een bekende Nederlan­der gemaakt.

Maar hij is van de weeromstuit niet naast zijn schoenen gaan lopen. Nog altijd is hij een be­geesterd liefheb­ber die maar één ding voor ogen heeft: de beste zijn. Dat hij daarbij ook het alge­meen belang van de dui­vensport niet uit het oog verliest, is al geschreven.

Neen, Steven van Breemen is ondanks alle suc­cessen gebleven wie hij is: scherp, eigen­zinnig en een onderzoe­ker. Wars van steral­lures. Hij is één van de meest succesvolste, misschien wel de talentrijkste maar in ieder geval de meest ambi­tieuze liefhebber met wie ABE ooit voor Tauben­sport International sprak!


26/5/96            Etampes         475 km.           11.789 d.         1, 2, 177, 234, 345, 387, 522, 827, 903, enz.
08/6/96            Orleans           535 km.           11.439 d.         1, 4, 15, 20, 44, 203, 410, 466, 617, 847, enz.
22/6/96            Bourges          610 km.           7.738 d.          2, 11, 44, 47, 84, 171, 187, 216, 281, 375, enz.
06/7/96            Montlucon        680 km.           6.510 d.          18, 19, 20, 27, 112, 145, 162, 163, 169, 206, enz.
20/7/96            Chateauroux   650 km.           7.108 d.          5, 64, 74, 87, 103, 105, 222, 232, 249, 261, enz.
17/8/96            Etampes         475 km.           14.955 d.         3, 44, 47, 66, 87, 163, 182, 185, 288, 317,  enz.
31/8/96            Orleans           535 km.           14.497 d.         11, 12, 13, 37, 41, 68, 80, 165, 248, 250, enz.
14/9/96            Bourges          610 km.           2.808 d.          33, 82, 85, 141, 201, 240, 245, 250, 293, 302,enz.

 

* * * * *


STEVEN VAN BREEMEN, HILVERSUM


An Interview with One of the Angry Young Men in the Dutch Pigeon Sport. A not Everey Day Report of Different Thinking, Renewed Methods, and Undiscovered Frontiers
by Piet Grasmaijer of IJsselstein (Holland)


The times we live in now of high technological achievements go together with a search for new ways of living together and making decisions. There are now new life styles and structures. In our time often great differences meet and, because of that disorientation of any kind can happen.

While society is constantly on the move, hardly anything happens in the pigeon sport with all the fanciers at a standstill. Only a few dare to stick their necks out to look over their own fences. Most of the time these brave people are just left alone. Because they believe in themselves, they are considered arrogant and they don't fit into the pattern we pigeon fanciers expect each other to fit into. One of these people who is constantly trying to find new frontiers and to bring the sport to higher levels, is Steven Van Breemen from Hilversum, Holland.

In the early 1970's, Steven travelled to Hungary for lectures on pigeon genetics by Professor Alfons Anker. He wrote about what he had just learned from the professor and predicted to breed a National Ace Pigeon. To predict is one thing, but to do it is really something else. Steven did just that: l st National Ace 1980 and 2nd National Ace 1981 Short Distance (H 77- 990312); 2nd National Ace Yearling 1983 (H 82-448368); I st national Ace Youngbird 1987 (H 87-1725207). Individual wins of: Ist Semi-National Dourdan 330 Miles 1983 (H 82- 448312) and Ist Semi-National Chateauroux 460 Miles 1985 (H 82- 448368) ahead by 10 minutes.

Steven translated and renewed Professor Anker's book A Repülö Keresztrejtveny and put it on the market under the name "The Art of Breeding". All 3,000 printed copies were sold out in six months time. The book is a standard work for every fancier interested in various aspects of breeding and is useful for tbc smau size operation.

In 1982, Steven introduced to pigeon society a revolutionary ventilation system. He does not own a big garden loft to keep lots of birds; however, this system makes it possible to keep 3 or 4 times the number of pigeons that should be housed in a loft normally. The condition, health and race resuits, especially of bis youngbird team, made fanciers all over the world adopt this system as the standard in mechanical ventilation for pigeon  lofts. Many pigeon transporters in Holland have had it installed in their carriers. The Number 1 and 2 Best Lofts in Holland for 1985 ("The Golden Pigeon Award") had this system installed in their lofts.

At the moment, Steven is very busy developing a fully automatic and integrated software program to do everything to be desired on pigeon administration. lt will take a couple of years for this program to be fully operational.

Steven has tumed into a real globetrotter. He loves to explore different cultures and is not one to hide his knowledge of pigeons. His farne is known all over the world. Through many personal invitations he bas been able to combine both these great loves.

A NEW MARKET

Our society develops very fast, influenced by newer and faster computers and programs that can do more and more. The Pigeon Sport also asks possibilities to gather information. When personal computers were introduced more and more into the home, a new market was discovered for the pigeon sport.

On the last Dutch National Pigeon Weekend in Rosmalen you could see several companies with stands promoting software, especially created for the pigeon sport and its fanciers. Most programs normally stop at the point of printing nice looking pedigrees and race results.

A computer appeared in Steven's house in the early eighties for the use of pigeonadministration. One of his first programs came from the U.S. and Steven saved in it the pedigrees of over 1 500 of his pigeons. Steven is a man who practices pigeons a little bit differently from most other fanciers. Where most fanciers try to breed good pigeons in order to become champion, Steven becomes champion because he tries to breed better pigeons. That is why his first pigeon software program needed to be updated right away. A computer can do much more than only print pedigrees. Steven's way of breeding is a well thought out plan to breed better racing pigeons. The only program that could meet his needs was one that was made for his standards only.

Together with his friend, Hans Van Grieken (the one half of the very successful loft combination of Van Leeuwen - Van Grieken from Aalsmeer, the overall Amsterdam Provincial Charnpion of 1990 and 1991), Steven developed a program that comes up to their individual desires. The analyzing is Steven's part and Hans takes care of putting everything together in a really workable program.

Their program still takes care of printing pedigrees, saving race results, and handling all kinds of normal questions. lt also can do much more than that. Part of the program is  the individual secreening of the pigeons. Every pigeon is carefully graded on a number of qualities that Steven thinks to be the most important ones for breeding. ProfessorAnker taught him the value of the various breeding qualities and he admits to having learned from the grand old master, Piet De Weerd, the fine art of handling when it cornes to placing order of values. Steven himself discovered several qualities that should be met in a mating in order to have the biggest chance of success.

TO OBSERVE

Apart from the fact that all man's observations are not scientifically proven, the limit of man's observation has its boundaries and can be easily influenced.

As an example in the following figure, the two horizontal lines appear to he of different lengths, when in fact they are identical in length. Our eyes are fooled by this optical illusion. This is just a simple two dimensional figure, imagine how easily we can be fooled with the three dimensional body of a pigeon. That is why most pigeon fanciers grade all various qualities of a pigeon differently.

Although Steven knows something about pigeons, his results on the short and middle distances in the seventies and early eighties are worldfamous. Nowadays Steven's pigeons still could perform great on that level. However, he likes to play the racing game more on the safe side. He used to race his pigeons on the fine edge, but noticed that when weather circumstances were bad he always lost his best pigeons, if he lost one. When bad weather is expected he calls his wife on basketing day to feed some more peanuts to the birds. He accepts the fact his pigeons will trap poorly when his forecast of the weather is wrong. At this time everyone knows Steven as a youngbird specialist, however on the long distances his performances are also great. In 1990 he scored in the Grand Dutch National St. Vincent Race (almost 700 miles), shipping 6 birds, the following prizes: 176th, 1075th, 1493rd, 1766th, and 3459th against 19,353 birds.

But back to the problem of observation. Because of this problem Steven never grades his pigeons as youngsters. First consideration is primarily race results. Next consideration is given to the family of the bird. In the first year of a pigeon's life it is very difficult to grade all the different qualities. The grading and selection at Steven's loft happens in the winter when the birds are at rest, have molted out, and have developed into older pigeons.

He cleans his lofts only once a week, on Saturday mornings. When other fanciers stop by for a visit and some pigeon talk, it happens the lofts don't get cleaned  for another week. In the winter time he keeps the pigeons the easy way: once a day food and once each two days clean fresh water. By treating his pigeons this way he saves time for other important things, but this also tests the natural strength of bis pigeons and he speculates on extra motivation and condition to come in when he puts the birds on the first spring test.

Because the pigeons in winter all have the same condition by simple treatment, it is possible to grade each pigeon as objectively as possible. To be objective is hardly possible when you grade older birds. You know their race results as well as their breeding performances. A really good pigeon always gets a hetter grade result.

To make an individual pigeon grade results more objective, Steven needed a computer program that offered what the stan- dard program did and also what his old administration by hand system did as well. Steven and Hans Van Grieken were able develop a program where the individual bird's race results transferred this value to the parents and grandparents. In this way each pigeon gets graded results on individual qualities, its race results, and breeding value. On the point of individual qualities there are two groups: physical and mental qualities. With this system it is possible to sort out the best breeders of a given population.

Does this system really work?

Well, I asked Steven which bird he considered his best breeder. Without hesitation he responded with "The Good Yearling" (NL 82-448368). This cock in 1985 won the Semi-National Race from Chateauroux. He won three times the first position in the greater region and if it wasn't for him being such a bad trapper he would have won at least two more handfuls of firsts. This cock is, according to Steven, for an important part, the basic bird in his loft today. He has already bred winners in the greater region up to flve generations. Knowing this I asked Steven to tum on his computer and ask it the same question. The box said "The Good Yearling"is a fine breeder. However, the computer found a better bird: the "646 hen", the mother of "The Good Yearling"! The fact that this hen was never tested, did not dispute the fact that she produced no less than 10 great racers & breeders. Her full sister the "150 hen" did almost the same thing.

STRAIN

The grading results per pigeon makes it possible for Steven to mate his pigeons with the help of the computer. Within the pro- gram there is a separate section, where the computer locates with the help of a lot of data and the programmed software the suitable mate or mates for an individual pigeon. The question arises whether this is a little too clinical. It doesn't appear so. In the end it makes no difference whether you enjoy writing on lots of paper full of pigeons looking for the golden match or if you do the same pioneering through a computer.

Let's not forget the computer is not led by its feelings, predictions, and emotions. A computer just works with facts you have entered into it. It is possible that a pigeon direct from world famous parents produces youngsters that just do not possess the right qualities, while a pigeon of  simple origin is able to produce the qualities a pigeon needs! Fame and honor disappear as snow in the sun when time tells the truth. A fancier with a straight way of thinking must realize that a computer is an excellent tool for making decisions on the matter of breeding pairs together.

There is a safeguard built into the mating section of the computer program that allows choices. Steven can ask the computer to put two birds together for a certain ability. On this same way he can put pairs together of strains that proved to be a great cross with the Van Breemen Loft birds.

The base of Steven's Loft is found with the world famous "Oude Klaren of 46" of Desmet- Matthijs. A long time ago Steven managed to buy a great number of grandchildren off of this cock. He tried to improve the population he bred from those birds with birds of several other strains. The best combination was with birds from the Janssen brothers, which he bought not directly but from different families of Janssens.

The computer also uses the expression "strain". Because in his opinion strain stands for something pure, this is hardly possible in the modern pigeon sport. Steven does not give a damn about fancy names or created fashion in the sport because the owner is wealthy and can spend a lot of money on public relations. Especially while the lofts that beat the wealthy loft every week cannot or will not pay to have their fantastic results published in the pigeon papers. When a loft is often and well enougb introduced in the pigeon papers, it is quickly considered by pigeon fanciers to be a strain.

Beautiful pictures of pigeons in large expensive looking lofts do not necessarily stand for high quality. Mostly they stand for heavy production. Pigeons produce pigeons and a lot of them produce junk. Steven admits he made the same mistake most fanciers make. After being greatly disappointed, he decided to study pigeons first for a couple of years. His first advice for novices is : study first and buy the pigeon of your choice later!!

We use the word "strain" because we needed a name for the computer, but we mean lines, families. Years ago Steven went to a loft "of great expectations" and bought expensive birds hoping to increase his chances for better performances. Because he has learned over the years how to better grade pigeons the word "strain" holds little importance

He will buy a bird because he is convinced of its qualities. For that point of view Steven gives the following example: A couple of years ago Steven bought at the sale of an unknown fancier, Van Riessen from Lippenhuizen, seven pigeons. One he gave away to a friend. Of the remaining six he put three breeding pairs together. They gave him fantastic results. The reason for buying those birds was due to a visit he made, to the Willequet Brothers of Belgium, years ago. Mere he had found the Stichelbout birds that had impressed him so much. When he saw the pictures in the papers of the Van Riessen birds he re- membered the Willequet birds of years before. He bought the birds and got them at a good price because in the eyes of the other fanciers they were not advertised well enough to he good pigeons. They brought Steve great success: e.g. they raised him the Provincial Ace Pigeon for 1989. Norrnally other fanciers watch Steven grading birds at sales which makes it hardly possible for him to buy pigeons cheaply.

GATHERING INFORMATION

Steven Van Breemen is convinced the computerprogram will help him breed each year better pigeons than he already has bred. The computer can only do a better job when you put into it as much data on the breeding pairs from the year before. Because of this he has 50 pairs of breeders, he breeds a lot of youngsters, and selects and tests the young very hard. Because of the large number of youngsters bred, he developed into a youngbird specialist in order to select quickly and properly.

Steven breeds about 200 youngbirds each year for his own use. From the moment of weaning until one week before the first serious race he keeps them in a darkened loft. He invented this system of racing youngbirds and several videos were brought out on the subject. By following this system his youngbirds raced in the first try-outs without any serious competition because all the other fanciers' birds were in full molt. Now, almost all Dutch 'fanciers follow Steven's system.

Who wants to be beaten every week when you know why your not winning.

The best youngsters at Steven's loft are usually bis best old birds too. Steven believes that these pigeons will only fly competi- tively until three years of age due to all the hard testing they received as youngsters.

Steven's system of flying youngbirds has brought race results that are hard to believe. A favorite race for the Dutch is the Dutch Derby from Orleans. A tough race for youngbirds because it comes at the end of a ten race series, the birds spend several days in the basket, it's 375 miles, most of the time the birds are flying into a headwind, and each year there are around 200,000 birds entered in the race. The race is flown in ten sections due to the high number of birds in the race. Steven's birds have to fly up to 100 miles more than the shortest national flyer and up to 40 miles further than the shortest flyer in his section. His results have been as follows:

1987 - 26,984 birds = 27, 54, 59, 86, etc.

1988 - 28,542 birds = 2, 12, 23, 61, 111, 114, 134, 141, etc.

1989 - 23,546 birds = 5, 8, 9, 11, 12, 14, 16, 17, 18, 22, 24, 38, 79, 82, 84, 86, 102, 106, 114, 126, 130, etc.

When you look at the above results you must remember his birds are bad trappers. He has recently taken up poling the birds in with a bamboo pole so he has more recently improved this situation.

Every non-believer will question the computer system and its validity. Steven believes when the program is fully operational and enough data is collected it will lead to better racing pigeons. lt is important, however, that the fanciers using the system must study hard the various qualities that are needed to become a champion racing pigeon or key breeder. They must also keep sharpening the qualities to be observed to keep up with the forward progress. All this work Steven has performed obviously has certain basic value and the further in-depth study it receives the more value it will attain.

DNA FINGERPRINTS

Scientific research has proven that samples taken from pigeons to study their DNA make-up presently determines what bird was from which breeding pair. This would make the use of pedigrees in the near future obsolete in selecting pairings. The pairings will be based on the selection of which genes to with to obtain a better individual. The DNA fingerprint is the gene pattere carried by each pigeon. Researchers will know through continued research which pattern of genes gives the best racing performance by deterinining the gene location for all the desired qualities. This of course wffl take a lot of time and cost a lot of money.

Until that time it could be very interesting to develop Steven's ideas. He believes in his system and it adds an extra dimension to the joy he finds in the hobby. Most important of all: Steven believes in himself.

In history there have been a lot of great scientists and discoveries of which people had their doubts untill the importance of the discovery was acknowledged. The world around us is evolving fast and for the pigeon sport to attract people it will also have to evolve. Personalities like Steven Van Breemen can play an important part in that. If, in the future, Stevens ideas are not exactly what we are looking for, they will still be a part of the Introducing of a better racing pigeon.
Publicatie januari 1991
Publicatie december 2001
Steven van Breemen
This page created with Cool Page.  Click to get your own FREE copy of Cool Page!
Publicatie
april 1995
Publicatie augustus 1992
Publicatie
april 1997