J. Koehoorn, Veenendaal: onaangewezen generaal in 1997 en 1998 afdeling 7/Midden Nederland DE FILOSOFIE VAN EEN KAMPIOEN Je kunt nooit iets vinden als je het niet onbewust al zoekt. Wat je niet zoekt daar loop je overheen, omdat je het niet herkent. Maar het is heel goed mogelijk dat je pas merkt dat je iets zocht omdat je het vindt, want zolang je het niet tegenkwam wist je niet dat je het zocht (…..). Dat is de verklaring voor de onverzadigbare menselijke nieuwsgierigheid die wetenschap heet. Prof. dr. Arnold Cornelis (bekleedt de leerstoel voor sociale theorie van kennis en wetenschap aan de economische sociale faculteit van de Vrije universiteit Brussel). DILEMMA Iedere duivenhouder is bewust of onbewust op zoek naar de sleutel van het succes in de duivensport. Het is een leerproces dat ieder van ons heeft doorgemaakt, door maakt of door zal maken. In feite is het een natuurlijk leerproces van de eigen identiteit om onszelf te sturen. Iedere liefhebber ontwikkelt een eigen filosofie over hoe je het meest succesvol duiven houd. Het is een onderdeel van onze individuele mentale kaart en dus van onze persoonlijkheid. Ieder van ons zal zijn filosofie naar eigen inzicht aanpassen als hij/zij - vanuit de eigen persoonlijkheid - meent daar voordeel aan te hebben. Die aanpassingen doen wij via de communicatie. Zet twee duivenmelkers bij elkaar en zij zullen gegarandeerd geen gesprekstof te kort komen. Het verklaart ook het bestaansrecht van de diverse duivenbladen, duivenvideo’s, forumdiscussies en het groeiend aantal duivensportsites op internet. Reportages van bekende en minder bekende kampioenen maken een belangrijk deel uit van de onstuitbare stroom informatie over de duivensport. Vaak verschillen die reportages nauwelijks van elkaar. Tenslotte heeft iedere kampioen doffers en duivinnen op zijn hok, speelt hij weduwschap, heeft hij oog voor de gezondheid van zijn duiven en voert hij een kwalitatieve goede handelsmengeling. We lezen die verhalen dikwijls zonder de illusie te hebben er iets van te kunnen leren. Het is dikwijls meer van hetzelfde. Lezen is op die manier een aangenaam tijdverdrijf en niet meer dan dat. Niet voor niets zeg ik wel eens dat een boek zijn kostprijs dubbel en dwars waard is, als ik er één regel in vind die ons iets leert. Het wordt dus pas interessant als de inhoud afwijkt van wat je gewend bent. Dan pas merk je dat je onbewust iets zoekt. Iedere kampioen kan ons iedere vorm van kennis op de mouw spelden. Tenslotte is hij de kampioen. We verwerpen zijn ideeën als het niet bij onze persoonlijkheid past of pikken het op als we menen er beter van te kunnen worden. ‘Vele wegen leiden naar Rome’, zeggen we dan. Het wordt pas lastig om de kennis van een kampioen op waarde te schatten als hij niet alleen sportieve maar ook nog andere (commerciële) belangen heeft. Vandaar dat in de het Neerlands Postduiven Orgaan redactionele artikelen en advertorials/advertenties duidelijk van elkaar te onderscheiden zijn. Blijft over de vraag of een kampioen zijn verhaal verteld omdat het zijn filosofie van duiven houden is of om zijn produkten te promoten. Met dat dilemma in mijn hoofd toog ik naar Jaap Koehoorn (42) in Veenendaal. Jaap geniet niet alleen bekendheid omdat hij in 1998 voor de tweede achtereenvolgende keer onaangewezen generaal kampioen van afdeling 7/Midden Nederland werd. Maar ook omdat hij commercieel actief is in de (duiven)sport. GROETEN UIT INZELL Als ik op een koude, winterse morgen bij Jaap Koehoorn aan de koffietafel schuif, besluit ik het dilemma van de geloofwaardigheid van de kennisoverdacht aan te snijden. De plaatselijke postbode geeft de voorzet. Hij brengt een ansichtkaart uit het besneeuwde Zuid-Duitse Inzell. ‘Bedankt voor je spullen, Emiel de Jager’, lees ik op de achterzijde. Emiel maakt deel uit van de Nederlandse schaatskernploeg en werd vorig seizoen als negentien jarige 5e op de Nederlandse kampioenschappen. Jaap: ‘Ik begeleid deze knaap met mijn voedingsprodukten en mijn peptalk. Hij maakt een geweldige progressie door en moet binnen afzienbare tijd in staat zijn door te dringen tot onze nationale top drie. Maar dat zal nog niet genoeg zijn. Hij moet uiteindelijk gaan voor de eerste plaats. Alleen op de Olympische Spelen tellen drie plaatsen; op alle andere kampioenschappen telt alleen de eerste plaats. Zo is het ook in de duivensport. Ook daar telt uiteindelijk alleen de eerste plaats. Hoe goed die liefhebbers ook gespeeld hebben, de nummers twee en drie zijn zo vergeten.’ ‘Succes zit in een potje en is dus te koop?’ vraag ik Jaap met een zo neutraal mogelijke stem. Natuurlijk verwacht ik van Jaap Koehoorn geen ronde bevestiging van de suggestie die in mijn vraag besloten ligt. Maar een ontkenning zal er toch zeker ook niet in zitten? Jaap Koehoorn laat er geen twijfel over bestaan wat volgens zijn filosofie het belangrijkste in de sport en dus ook de duivensport is: motivatie met een grote ‘M’! Ook in de vaderlandse nationale zwemploeg zit een talent dat door Koehoorn wordt begeleid. ‘Iedere sportliefhebber kent Wouda en Van de Hoogeband. Maar een jongen die er heel snel aan zit te komen is Mark Veens. Die jongen heeft de ijzeren wil om eerste te worden. Hij leeft er voor en zet er alles voor aan de kant. Dat telt in de sport.’ Hoe waar de woorden van Koehoorn zijn, blijkt amper drie weken na ons gesprek als Veens tijdens de Europese kampioenschappen in het Britse Sheffield verschillende medailles wegkaapt… Zijn eigen motivatie om duivensport op het allerhoogste niveau te beoefenen put Jaap Koehoorn uit het plezier dat er aan de duivensport te beleven valt. Zijn commerciële belang is daaraan, zoals hij zelf zegt, ondergeschikt. ‘Natuurlijk kijken mensen extra kritisch naar mij. Zij denken de kwaliteit van de produkten die ik verkoop af te kunnen meten aan de prestaties van mijn duiven. Toch legt dat geen druk op mijn schouders. Dat komt ook omdat ik zakelijk gezien, mij veel richt op andere sportterreinen. De duivensport is voor mij toch in de eerste plaats een hobby. Ook al zouden mijn prestaties minder zijn, dan nog zou ik evenveel plezier aan de duivensport beleven. Ik ben nu twee jaar achtereen generaal kampioen van afdeling 7 geworden. Ik realiseer mij dat het voor de afdeling leuker is als een ander kampioen wordt. Dat levert voor iedereen meer inspiratie op. Ik ben me er ook van bewust dat het huidige succes niet voort kan blijven duren. Het zal heus wel eens een keer een jaartje minder gaan. Maar ik zal ook komend seizoen toch weer voor de hoogste eer strijden.’ VERWARRING In de filosofie van Jaap Koehoorn wordt succes in de duivensport naast motivatie vooral behaalt door gezondheid van de duiven. Hij is daar tamelijk uitgesproken in. ‘Veel mensen zoeken het in de verkeerde dingen. Legio liefhebbers kuren al jaren om de drie weken tegen trichomoniasis, coccidiosis en ornithose. Zij houden hun duiven gezond maar maken geen progressie. Want uiteindelijk maken zij hun duiven door die handelwijze zwakker. Die mensen hebben medicijnduiven en geen sportduiven. Mijn duiven krijgen geen voorbehoedende kuren. Daarmee wil ik niet zeggen dat ik nooit problemen heb. Zo zit er in mijn hok nu een duif met een nat oogje. Dat hoeft toch niet in deze tijd van het jaar. Het zal heel snel uit zichzelf moeten genezen want anders doe ik zo’n duif weg. Mijn duiven zitten het hele jaar door in open rennen. Veel van de duiven ik bij haal zijn daar niet tegen bestand. Zij worden er ziek van en dus verwijderd. Maar de beste blijven over.’ Ik kijk Jaap ongelovig aan. Want, zo zullen vele liefhebbers opperen, door je duiven bij iedere besmetting maar uit te laten zieken is het vliegseizoen zo om. Zeker voor de echte specialisten die maar zes of zeven vluchten op het programma hebben staan. ‘Toch zie ik geen andere mogelijkheid’ pareert Jaap. ‘Je blijft anders medicijnen in de duiven stoppen. Het gaat daarmee van kwaad tot erger. Het is toch eigenlijk te gek voor woorden dat veel liefhebbers om de drie weken moeten kuren omdat de duiven het anders niet vol houden? Ik hecht meer belang aan een aangepaste sportvoeding. Daardoor krijgen duiven meer weerstand en kracht. Ik geef mijn duiven als voedingssupplement creatine. Er zijn honderden leveranciers die dit produkt verkopen dus ik kan het gerust bij naam noemen zonder de indruk te wekken uit eigen belang reclame te maken. Met het noemen van creatine snijdt Jaap Koehoorn een onderwerp aan dat in de menselijke topsport regelmatig voor verwarring zorgt. In de ‘Telegraaf’ van 1 december 1998 pleitte Tscheu La Ling voor meer duidelijkheid over het gebruik van creatine door topsporters. Hoewel het op geen enkele dopinglijst voorkomt zijn er nog altijd sportartsen die het wel als zodanig beschouwen. Volgens de voormalige voetballer bij van Ajax, Panathinaikos, Olympique Marseille en Feyenoord houden zij daarmee een misvatting in stand. Creatine is een lichaamseigen stof die wordt aangemaakt in lever, alvleesklier en nieren. Verder zit het in normale voedingsmiddelen als vlees en vis. Creatine is vooral bruikbaar binnen takken van sport die explosiviteit vergen. Om als sporter kracht te kunnen leveren moet er in de spieren energie vrij worden gemaakt. Alleen de stof A.T.P. (Adenosinetrifosfaat) bevat energie in een vorm die voor de spier direct bruikbaar is. Op korte termijn is de afbraak van creatine de meest efficiënte manier om A.T.P. aan te maken. Alleen is voor de aanvoer van extra creatine het consumeren van grote hoeveelheden vlees en vis voor sporters geen geschikte methode. Dit ‘probleem’ is opgelost sinds men in staat is creatine te isoleren en het in pure vorm kan worden ingenomen. OOK BIJ DUIVEN? Volgens Els Stolk, bondsarts bij de Koninklijke Nederlandse Atletiek Unie, is bij suppletie van creatine, in tegenstelling tot andere voedingsextracten, een duidelijke verbetering van het prestatievermogen bij krachtuithoudingstesten en sprintuithoudingstesten bij mensen aangetoond. ‘Bij testen van de maximale kracht en lange-afstand is daarentegen geen effect op de prestatie aangetoond’ aldus Stolk. Suppletie van creatine kan bij mensen bijwerkingen hebben zoals gewichtstoename, een loom of juist gespannen gevoel in de spieren, hogere neiging tot spierkramp en overbelastingsblessures van de belaste spieren/pezen. Daarnaast zijn er aanwijzingen dat langdurige suppletie van creatine zou kunnen leiden tot afname van de eigen productie door het lichaam. Stolk pleit er dan ook voor om regelmatig periodes in te lassen waarin geen extra creatine wordt gebruikt. Als door stapeling van creatine in het lichaam het prestatievermogen bij de mens gunstig beïnvloed wordt, geldt dat dan ook voor duiven? Dat is de voor duivenliefhebbers interessante vraag. Dr. J.W.E. Stam heeft daar zo zijn twijfels over. ‘Ik ken geen deugdelijk onderzoek naar de effecten van suppletie van creatine bij duiven. Of het net zoveel effect heeft op duiven als op mensen betwijfel ik omdat de spiersoorten van beiden verschillen. We moeten niet vergeten dat bijvoorbeeld de loopspieren van mensen vooral bestaan uit zogenaamde ‘witte’ spieren die weliswaar krachtig en snel kunnen werken maar ook snel vermoeid zijn. De vliegspieren van de duif bestaan vooral uit ‘rode’ spieren die gedurende lange tijd hun werk kunnen doen zonder vermoeid te raken. Bovendien is het zo dat ‘witte’ spieren koolhydraten als energiebron gebruiken terwijl ‘rode’ spieren vetten benutten. Dat levert fysiologisch een heel ander beeld op. Niettemin: totdat een en ander wetenschappelijk is vastgesteld sluit ik niet uit creatine het prestatieniveau van duiven gunstig kan beïnvloeden.’ Ook Drs. J. van der Sluis, veterinair adviseur van de N.P.O., houdt er een dergelijke mening op na. ‘Ik vind de sportvoedingssupplementen een boeiend aspect van de duivensport waar ik bepaald niet negatief tegenover sta. Wij moeten ons echter wel rekenschap geven van het feit dat vogels een volstrekt andere spierfysiologie hebben dan zoogdieren. En dat kan veel betekenen voor de mate waarin voedingssupplementen werkzaam zijn. Om daar achter te komen zou er een vergelijkend onderzoeken tussen meerdere gelijkwaardige groepen duiven gedaan moeten worden. Voor zover mij bekend is dergelijk onderzoek niet of nauwelijks uitgevoerd.’ TRAINEN De wetenschappelijke onderbouwing voor een mogelijk gunstig effect op het prestatieniveau van duiven ontbreekt dus (nog) en deugdelijk onderzoek daarnaar schijnt nog ver weg. Bovendien lijkt het mij sterk dat met alleen een poedertje een duif in staat is langer of sneller te vliegen. Als ik Jaap Koehoorn deelgenoot maak van mijn twijfel, beaamt hij die direct. ‘Natuurlijk lukt het met alleen een voedingssupplement niet. Er moet ook flink getraind worden. Ik vlieg dubbel weduwschap. Zowel de doffers als de duivinnen worden tijdens het vliegseizoen twee à drie keer per week weggebracht. Als ik naar klanten toe moet dan neem ik ze mee, in welke windrichting dan ook. Zo kan het gebeuren dat ze bij de meest uiteenlopende weersomstandigheden in Antwerpen, Duisburg of Maastricht gelost worden. Via het electronisch constateersysteem zie ik hoe ze af gekomen zijn. Mijn doffers en duivinnen zitten dus drie, vier keer in een week bij elkaar. Het lukt mij niet altijd maar het liefst train ik ze zo op maandag, dinsdag en woensdag. Op donderdag en vrijdag komen ze dan niet los.’ Je vraagt je af waarom Jaap al die moeite doet. Je kunt de duiven toch ook één of twee uur laten vliegen? In de lezenswaardige artikelen over de methode van tandarts Willem de Bruyn viel onlangs nog te lezen hoe duiven tot dergelijk gedrag geconditioneerd kunnen worden. Ook daarover heeft Jaap Koehoorn een uitgesproken mening. ‘Mijn oude duiven laat ik niet rond het hok los want trainen ze niet. Ook al vliegen ze een uur. Om in schaatstermen te spreken: ze draaien dan rondjes van 40’. Wanneer je ze weg brengt vliegen ze veel sneller en maken ze bij wijze van spreken rondjes van 30’. Die snelheid moeten ze maken om getraind te raken. Wanneer er een havik in de buurt van je hok woont dan is dat heel vervelend omdat hij dan zo nu en dan een duifje oppeuzeld. Maar het is goud voor de training van de duiven want ze vliegen als raketten. De duiven van Jaap Koehoorn gaan na de laatste natoervlucht niet meer los. Hij doet dat, zoals hij zegt, om ze te ontstressen. Jaap: ‘Dat vind ik nodig omdat, hoe je het ook wendt of keert, de duivensport tegennatuurlijk is. Ongeveer drie maanden hoe ik ze binnen. Tegen de tijd dat ze uitgeruid zijn laat ik ze zo nu en dan weer los. Vanaf ongeveer een maand voor de eerste vlucht begin ik weer met het trainen van de duiven.’ Die drie maanden gedwongen rust hebben de duiven nodig om te ruien. Tijdens het seizoen doet Jaap er alles aan om de duiven zo traag mogelijk te laten ruien. Dit om optimaal van de slagkracht van de vleugel te kunnen profiteren. Zo laat hij zijn vliegduiven in het voorjaar geen jongen groot brengen. Op het eerste legsel mogen ze twintig dagen broeden waarna ze op weduwschap gaan. Daardoor wachten ze langer met het gooien van de eerste pen. Vanaf de 21e juni worden de dagen korter. Op de hokken van Jaap Koehoorn echter niet. Jaap daarover: ‘Met kunstlicht boots ik de daglengte van 21 juni na. Dit hou ik vol tot augustus waarna ik langzaam de dagen korter maak tot de natuurlijke cyclus. Daardoor ruien de duiven veel langzamer: in september hebben ze dan pas drie pennen gestoten. Als duiven na het seizoen vervolgens bemerken dat ze niet meer los komen, gooien ze drie vier pennen tegelijk. Duiven die in die tijd wel los vliegen zullen dat nooit doen want dan zouden ze niet opgewassen zijn tegen hun natuurlijke vijanden en een gemakkelijke prooi vormen.’ SPORT BEPERKEN Jaap gebruikt het stille seizoen om zijn duiven te ontstressen. Maar het is ook het moment om zelf stoom af te blazen. Want een heel seizoen op de toppen van je kunnen presteren, vergt het nodige aan energie. Na zo’n inspannend seizoen speel ik met de gedachte om mij komend seizoen te beperken tot de dag- en overnachtfond. Dan is zo’n vliegseizoen toch wat minder inspannend en tijdvretend. Overigens denk ik dat wij als duivensport naar een kleiner aantal vluchten toe zouden moeten. In de afgelopen jaren zijn er steeds meer vluchten gekomen in verschillende disciplines. Dit om de specialisten voldoende spel te kunnen bieden. Maar de duivensport kent nauwelijks specialisten, iedereen doet in principe overal aan mee. Dat is voor de gewone liefhebber niet bij te houden en dus haken er steeds meer mensen af. Een ander idee zou zijn om midden in het seizoen één week geen vluchten te organiseren. Orleans jonge duiven zou eigenlijk nog een week naar voren moeten worden geschoven en daarna zouden we met het spel moeten stoppen. Dat zou ideaal voor duif, liefhebber en de sport zijn. Zo was de duivensport vroeger en toen floreerde ze’. Terug naar vroeger dus? Dat lijkt een onbegaanbare weg. Bovendien moeten niet de liefhebbers maar de duiven iedere week een flinke afstand overbruggen. Jaap is het daar niet mee eens. Een kolonie soigneren op een wijze dat er op hoog niveau gepresteerd wordt, is een arbeidsintensieve aangelegenheid. Hij beschouwt daarom uit de keten ‘duif - hok - liefhebber’ het element ‘liefhebber’ als het allerbelangrijkste. Jaap: ‘Ik geloof niet dat er heel veel verschillen tussen de verschillende duiven zitten. Sterker nog: als mijn buurman en ik bij liefhebber X uit koppel Y een jong halen dan is het goed mogelijk dat mijn buurman er mee slaagt en ik niet. Dat heeft waarschijnlijk niet zoveel met de kwaliteit van de duiven te maken want die zal niet zo heel veel verschillen. Duiven moeten bij je passen. En als die aangeschafte duiven zich bij mijn buurman wel thuis voelen en bij mij niet dan is het verschil tussen wel of geen succes snel uitgelegd.’ Vanuit de filosofie dat de liefhebber de alles bepalende factor in de duivensport is, is het volgens Jaap Koehoorn ook te verklaren dat er een rassencultus in stand gehouden wordt die, op de keper beschouwd, niks met kwaliteit te maken heeft maar alles met commercie. ‘Veel mensen die op hokversterking uitgaan kijken eerst naar de stamboom en dan pas naar de duif. Fout! Het draait om de duif, die moet bij jou als liefhebber passen. Wil je er toch een papier bij, vraag dan om de uitslagenlijsten en niet om de stamboom. Ik ken commerciële hokken die met de regelmaat van de klok jonge duiven afleveren die zijn geboren uit 18-, 19- en 20-jarige duiven. Nu zal het ooit wel voorkomen dat een 20-jarige doffer nog bevrucht maar het zijn toch grote uitzonderingen. Ik wil er maar mee zeggen: papier is geduldig; een stamboom maken die klinkt als een klok, dat kan iedereen’, aldus Jaap Koehoorn. STATISTIEK Voor Jaap Koehoorn zijn de uitslagen de alles bepalende factor bij het bepalen met welke duiven hij voort zal doen. En dus heb ik zijn uitslagen in afdeling 7/Midden Nederland in bijgaand overzichtje op een rijtje gezet. Je moet al een enorme cijferfanaat zijn wil je de brei aan cijfers van voor naar achter aandachtig doornemen en daar ook nog leerzame conclusies aan kunnen verbinden. Een duivenblad lezen is leuk maar je hoofd breken over een dergelijke hoeveelheid cijfers begint op inspanning in plaats van ontspanning te lijken. Met de computer gaat analyseren van al die gegevens echter veel gemakkelijker. Om u te dienen heb ik eens een uitdraai gemaakt van de prijspercentages op de verschillende vluchten in 1998. Dat leverde een heel verrassend beeld op. Fantastische uitslagen met prijspercentages tot 74% (Brive, 26 juni) werden afgewisseld met zeperds van 2% (Breteuil,13 juni). Voor een buitenstaander zoals u en ik valt er veel te speculeren over de oorzaken van die verschillen. Zoals de beroemde (of beruchte, het is maar hoe je het bekijkt) vormpieken en -dalen, de windrichting of de voorkeur voor bepaalde afstanden. De wind lijkt geen oorzaak te zijn voor de opmerkelijke verschillen in prijspercentages. De meeste vluchten werden vervlogen met een wind die in de westhoek zat. Zowel Jaap’s beste als slechtste vlucht werd vervlogen met een zuidwesten wind (grafiek 3). Uit grafiek 2 valt, voor wie de grote lijn in ogenschouw neemt, het op en neer gaan van de vorm te herkennen. Toch kan het nauwelijks een verklaring voor de gevonden verschillen in prijspercentage. De vluchten waarop Jaap het slechtste scoorde, werden gehouden in een weekend waarin hij op andere vluchten een goede prestatie neerzette. Kijken we naar het prijspercentage per discipline (grafiek 1) dan zien we dat de slechtste vluchten (Breteuil 13 juni 2%; Pont St. Maxence 20 juni 8%; Breteuil 27 juni 14%) in de reeks midfond zaten en de beste vluchten (Brive 26 juni 74%; Bourges 25 juli 63%; Orleans 30 mei 58%) bijna allemaal in de reeksen van de één- en meerdaagse fond. Daaruit zou je kunnen concluderen dat de midfond niet Jaap’s sterkste kant is maar dat lijkt niet voorstelbaar aangezien Jaap zich tot op heden profileerde als een programmaspeler die gaat voor het generaal kampioenschap. En van dat kampioenschap maken de midfondvluchten toch een substantieel deel uit. Iemand die de juiste conclusies aan deze grafieken kan verbinden is Jaap Koehoorn zelf. En dus legde ik ze aan hem voor en vroeg om commentaar. Jaap: ‘Geweldig die overzichten. Hier valt iets uit te leren. Want wat ik eigenlijk al vergeten was, herinner ik mij nu weer. De slechte resultaten hebben niets te maken met vormpieken/dalen of met een ongunstige wind. Het heeft alles met de motivatie van de liefhebber te maken. Op een aantal momenten ben ik gewoon te gemakzuchtig. De slechtste vluchten vallen altijd in een weekend met een dubbelvlucht. Voor het inkorven op donderdag laat ik de doffers en duivinnen bij elkaar. Ik zoek de duiven uit die worden ingekorfd en de duiven die overschieten worden een dag later ingekorfd voor een midfondvlucht. Gemakshalve liet ik echter die duiven de gehele vrijdag bij elkaar. Ik herinner mij nu dat ik dan op vrijdagavond mij verbaasde over de wijze waarop die duiven waren opgelopen. Maar zaterdags kwam de teleurstelling: ze hadden kennelijk al hun kruit verschoten. Wat ik daar uit moet leren is dat ik die duiven niet zo lang bij elkaar moet laten. Of nog beter, ik zou de duiven voor de midfond en de langere afstanden op verschillende hokken moeten huisvesten. Dan heb je dit probleem ook niet meer.’ NIET MOEILIJK Doordat Jaap Koehoorn een grote kolonie postduiven beheert, probeert hij de dingen niet moeilijker te maken dan ze zijn. Het kweken is daarvan een voorbeeld. Sterker nog, het is het simpelste wat er is voor Jaap. ‘Ik zet 25 doffers in een hok. Vervolgens zoek ik op een avond 25 duivinnen uit die ik los laat op het hok. Vervolgens zeg ik tegen ze: tot morgen! En ik ga lekker naar moeder de vrouw. Als ik de volgende dag op het hok kom is alles gekoppeld. Die handelwijze heeft grote voordelen. Ik hoef mijn hoofd niet te breken over of doffer X wel bij duivin Y past. En er zijn geen koppels waarvan de partners elkaar niet zien zitten. De duiven vinden als vanzelf hun broedhok. Doordat de duiven hun eigen partner hebben mogen kiezen zal dit op de vluchten hun motivatie ten goede komen. Dit systeem werkt als een trein. Binnen een kwartier paar ik 100 koppels. En ik geloof niet dat de kwaliteit van de jongen die ik kweek minder is dan wanneer ik heel bewust de koppels zelf had samen gezet. Iedereen roept altijd dat je de meeste kans hebt om een goede duif te kweken door ‘goed x goed’ te koppelen. Dat zal misschien ook wel kloppen maar hoe vaak wordt je niet verrast met een goede duif uit een koppel waar je het helemaal niet van verwacht?’ Jaap Koehoorn selecteert op basis van de prestaties van een duif. Hij heeft verschillende duiven die qua bouw niet zo heel fraai zijn. Maar zo lang deze duiven tien en meer prijzen per seizoen winnen, houdt hij ze graag aan. Datzelfde principe houdt hij ook voor mijn jonge duiven aan. ‘Een jonge duif die niet presteert hoort niet op mijn hok thuis. Zo heb ik ook geen specifieke vitesse- of fondduiven. Ik heb duiven die het hele seizoen worden ingekorfd. En ze moeten in staat zijn om op alle disciplines prijs te vliegen. Wint een duif alleen prijs op de fond of alleen bij tegenwind, dan hoef ik zo’n duif niet. Ik zeg niet dat duiven die een bepaalde afstandsgeschiktheid aan de dag leggen, geen goede zijn. Maar het zijn geen duiven die bij mijn karakter passen. Ik moet ze, mits in goede doen, iedere week kunnen inkorven ongeacht de afstand. Als een duif dat niet kan dan past ie niet bij mij. Ik kocht ooit veertig jonge duiven bij een van de grootste kampioenen op de overnachtfond. Die duifjes zagen er prachtig uit. Alleen: ik kreeg die kampioen er niet bij. Ik moest het helemaal zelf doen en kwam al snel tot de ontdekking dat die duiven niet bij mij pasten. Ik ben er de man niet naar om een koppel duiven te verzorgen waar je maar een handje vol vluchten per jaar plezier aan kunt beleven.’ Als ik Jaap Koehoorn vraag of hij door zijn handelwijze zijn duiven niet ‘kapot’ speelt, pakt hij wederom de uitslagen er bij. ‘Mijn beste duiven waren in 1998 drie- en vierjarigen. Goede duiven kunnen meer hebben dan je denkt, als ze maar goed verzorgd worden.’ EPILOOG Jaap Koehoorn is een zoeker. Hij doet geen dingen omdat ‘we het altijd zo deden’ of omdat ‘iedereen het zo doet’. Hij is op zoek naar alternatieven die hem in zijn hobby, de duivensport, beter maken. Zo ontstaan noviteiten van meer of minder belang. Wie zoekt vindt altijd iets. Daarover liet Professor Cornelis in de aanhef van dit artikel geen twijfel bestaan. Jaap Koehoorn staat voor zijn mening en steekt die niet onder stoelen of banken. Maar hij waakt ervoor zijn opinies te laten verworden tot dogma’s. Hij legt aan ieder luisterend oor uit wat hij bedoeld. En schroomt niet om, als daar aanleiding toe is, zijn mening aan te passen of te herzien. Dat maakt hem niet alleen tot een groot kampioen maar ook tot een gewaardeerd duivenliefhebber. |
Publicatie maart 1999 |
Jaap Koehoorn |