NESTSPEL, VERGANE GLORIE?



Het streven naar een grotere effectiviteit en meer rendement heeft het traditionele nestspel in de duivensport de laatste vijf decennia prak­tisch laten ver­dwijnen. Alleen op de overnachtfond wordt nog met suc­ces het aloude nestspel bedreven. Maar op de vitesse en midfond? Daar is al tijden geen eer meer te behalen met nestduiven. Slechts een enkeling weet op het kortere werk met nestspel nog sucessen te boeken. Maar je moet ze met een kaarsje zoeken. Brieftaubensport International ging op zoek en vond er zo één: Jan van der Pol uit Amersfoort.



GROOT KAMPIOEN

De betrokkenheid, fanatisme bijna, die Jan van der Pol sinds zijn kinderjaren in de duivensport aan de dag legt, zorgt ervoor dat hij zich sindsdien tot de besten van de Amersfoortse duivensport mag rekenen. Jan: 'Ik voel mijzelf geen groot kampioen. Anderen hebben meer de mond vol van mijn prestaties dan ik zelf. Ik beperk mij tot de vitesse en mid­fond; in die disciplines behoor ik al jaren bij de besten.'  Dat dit geen grootspraak is bewijzen de uitslagen. Ik zal u niet vermoeien met de vele tientallen kampioenschappen die Jan van der Pol de afgelopen jaren heeft gewonnen. Veel zeggend is immers het aantal eerste prijzen wat hij met zijn nestduiven behaalt: alleen al in 1996 en 1997 waren dat er op 18 vluchten per seizoen respectievelijk 8 en 9!

Jan van der Pol heeft bewust gekozen voor het traditionele nestspel. Ooit heeft hij wel eens één jaar weduwschap gespeeld. 'Dat ging op zich­zelf ook goed', aldus Jan. 'Maar ik vond er als duivenliefhebber niets aan. Je ziet de dof­fers namelijk alleen 's ochtends en 's mid­dags even. Ter­wijl ik juist iemand ben die graag eens het hok in loopt om de duiven aan te halen. Om even met ze te spelen.'

Met doffers én duivinnen spelen is een advies wat Jan van der Pol aan iedere lief­hebber zou willen geven. Jan: 'Ik vindt het heel belang­rijk om te weten wat je dui­vinnen in huis hebben. Een goede duivin vind ik name­lijk belangrij­ker dan een goede doffer. Waar­om? Ik weet het eigen­lijk niet maar als ik ergens duiven bij haal dan kies ik eer­der een duivin dan een doffer. Omdat ik zowel de vlieg­waarde van mijn doffers als van mijn duivinnen ontdek, meen ik dat ik een voorsprong heb bij de ont­wikkeling van de kwaliteit van mijn kolo­nie duiven. In dat op­zicht heb ik een voor­sprong op de meeste weduwschapspelers.'

Het maakt niet veel uit of je een grote of kleine liefhebber bent als je het nestspel wilt beoefenen. Belangrijkste is dat je als liefhebber voldoende talent hebt. Jan: 'Als je dat talent niet hebt en je wilt toch met doffers en duivinnen spelen dan lijkt het mij verstandiger om dubbel weduw­schap te spelen. Ik heb dat zelf nog nooit gepraktizeerd maar het lijkt me eenvoudiger en sneller tot succes leiden dan nest­spel.



VOOR- EN NADELEN

Als ik Jan van der Pol vraag naar de voordelen van het nestspel ten opzichte van het weduwschapspel dan begint hij met het opsommen van een aantal nadelen. Alsof hij vanuit een underdog-positie praat. En eigenlijk is dat ook wel een beetje zo. Noem het het 'Calimero'ef­fect. Zo van: 'zij zijn groot en ik ben klein'. Want vanuit sportief oogpunt heb je als nestspeler heel wat nadelen te overwin­nen voordat je aan de voordelen toe komt. Het is tenslotte niet voor niets dat het nestspel zo volle­dig en onmiskenbaar uit de gratie is geraakt bij het merendeel van de liefhebbers. Weduwschap is niet alleen eenvoudiger, het kost doorgaans ook minder tijd. En weduwnaars en weduwduivinnen hebben gedurende langere tijd een veel gelijkmatiger vorm, zijn minder grillig. Jan van der Pol be­strijdt dit laatste overigens. Als ik hem een tikje ongelo­vig aan kijk zegt hij: 'Mijn nestduiven presteren minstens zo gelijk­matig als we­duwnaars elders. De vorm wordt bepaald door de gezondheid en niet door de nest­stand of -bij het weduwschap- de drang naar de partner.' Ver­vol­gens staaft hij zijn uitspraak met zijn uitslagenlijs­ten. Tien prijzen of meer per nestduif per seizoen wordt heel gewoon gevonden. Er zijn weduwschapspelers die het voor minder doen!

De essentie van succes met nestspel zit in het opbouwen van een goede relatie tussen mens en dier. En misschien is dat in deze moderne tijd waarin we nergens meer tijd voor lijken te hebben voor de moderne liefhebber te veel gevraagd. En dus wordt de duif een instrument bij het behalen van waardering en publiciteit. Maar Jan van der Pol kent na zo veel jaren -ook als het eens wat minder gaat- nog steeds de essen­tie van wat hij als kleine jongen zo leuk vond aan de duiven­sport: omgaan met dieren!

Een ander nadeel ten opzichte van het weduw­schap is dat nestdui­ven het hele jaar door, naast de vluchten die zij moeten doen, voort­durend druk zijn met de voortplantingscyclus. En dat op momenten dat een weduwnaar op één vleugel ligt te rusten. Nestdui­ven leveren dus het hele jaar door een extra inspanning. De natuur gaat op mijn hok name­lijk gewoon zijn gang. Van het moment dat de duiven in het vroege voorjaar worden gekoppeld tot de laatste vlucht in het najaar wordt ieder nest gewoon groot gebracht.

Hoewel Jan de extra inspanning die de voortplantingscyclus met zich mee brengt als een nadeel ervaart, is het tegelijkertijd de bron van de liefde voor het nestspel. Eindeloos kan hij genieten van de wijze waarop postduivenpaartjes elkaar liefkozen, zorgzaam de eitjes warm houden en samen voor het groot brengen van het kroost zorg dragen.



EENVOUD

'Eenvoud' is het toverwoord in het systeem van Jan van der Pol. Alle overbodige opsmuk wordt achterwege gelaten. Gezonde duiven, deugdelijke hokken en een betrokken liefhebber, dat is waar het om draait.

De duiven worden in februari gekoppeld. Vogels die goed vliegen krij­gen altijd dezelfde partner terug. De affiniteit die partners voor elkaar hebben wordt door Jan van der Pol belangrijk gevonden. Zo heel af en toe wil hij bij dergelijke duiven wel eens een andere koppelsa­menstel­ling proberen. Bijvoorbeeld als de jongen niet bevallen, maar de oude part­ner wordt altijd achter de hand gehouden. Dit voor het geval dat de vliegprestaties met de nieuwe partner tegen vallen. Jan: 'Ik heb wel eens een doffer gehad die met zijn nieuwe duivin geen kop meer vloog. Toen ik hem zijn oude duivin terug gaf vloog hij twee weken op rij de eerste prijs.'

Vanaf het moment van koppeling gaat de normale voortplantingscyclus zijn gang. Dat betekent dat de duiven wel zo'n zeven ronden jon­gen per jaar groot brengen. Vanaf oktober worden de nesten verwijderd. Rond half november worden de duiven gescheiden.

De duiven van Jan van der Pol worden dus allemaal tegelijkertijd ge­kop­peld. Daardoor zou het in theorie kunnen dat alle duivinnen voor de­zelfde vlucht moeten leggen. En dus niet inzetbaar zijn. Want Jan hanteert een gulden regel: duivinnen die moeten leggen worden niet ingekorfd. In de praktijk doet zich dit probleem echter niet voor. De neststanden lopen namelijk na verloop van tijd als vanzelf niet meer synchroon. Jan: 'De ene duif legt eie­ren als zij jongen heeft van een dag of dertien, veertien. Andere dui­ven wach­ten een dag of tien langer.'

Voor het overige worden de duiven op iedere neststand ingekorfd. Jan: 'Het belangrijkst is dat de duiven in goede conditie zijn. Dan kunnen ze eerste prijzen winnen op eieren maar ook op grote jongen. 'In '95 had ik een duivin die goed zijn prijzen speelde. Ik dacht bij mijzelf: 'dat beestje moet toch een eerste kunnen spelen?' Algemeen wordt aangenomen dat een duivin op haar best is op eieren of kleine jongen. Maar op die neststanden scoorde ze niet. Uiteindelijk won dat duifje toch nog een eerste in groot verband: tegen alle regels in op jongen van twintig dagen!’



VERPLICHT TRAINEN

Aan de dagelijkse vliegbeurt gaat een bijzonder ritueel vooraf. Jan heeft een stokje in het hok staan waarmee hij op de grond tikt. Alle duiven, of ze nu op nest zitten of niet, stuiven dan het hok uit. Dat heeft hij ze zo geleerd. 'In het begin moet ik de jaar­lin­gen nog van het nest pakken. Onderwijl tik ik dan met het stokje op de vloer. Na een paar dagen weten ze wat er van hen verwacht wordt en gaan ze uit zich­zelf het hok uit,' aldus onze nestspeler.

De duiven worden ver­plicht tot vliegen en het hok blijft gedurende de vliegbeurt gesloten. Bij jonge duiven en jaarlingen moet Jan nog wel eens een tennisbal in de lucht gooien om hen te dwingen te vliegen. Zo leren ze al snel om een uur lang door de lucht te klieven. En dat twee keer per dag. Als de vorm er is trekken ze ook weg. Jan van der Pol beklemtoont het belang van goed en hard trainen: 'Anders vetten nestduiven snel aan en dat is funest voor de prestaties. Ik vind het verplicht trainen heel belang­rijk in mijn systeem. De duiven moeten echt jagen als zij los zijn. Als zij alleen maar rondjes om het hok vliegen in een tempo waarbij ze nog net niet uit de lucht vallen, dan mag je er niets van verwachten. Ze moe­ten snelheid maken.'

Tegelijker­tijd benadrukt Jan van der Pol het belang van snel binnen komen: 'Na een uur trai­nen hoef ik  maar naar buiten te lopen en het hok open te zetten en ze stormen naar binnen. Je zult bij mij geen duiven over daken en in goten zien zwerven. Dat is niet al­leen slecht voor de duiven, het is ook pretti­ger voor je buren. En dat is in een stad als Amersfoort ook belang­rijk. Het is: ìn de lucht of ìn het hok. Een tussenweg is er niet. Het bin­nenkomen is namelijk het enige punt waar­op een nestduif onder doet voor een weduw­naar. En dus moet je ze leren snel binnen te komen om zo de schade zo beperkt moge­lijk te houden.'

Als na een paar ronden jongen groot brengen het heilige vuur bij de duiven wat begint te doven dan doet Jan van der Pol daar niets tegen. Hij laat alles zijn gewone gang gaan. Goede, gezonde dui­ven daar komt het op aan.

Wel houdt hij alle nieuwe legsels bij in een zakboekje. Als een duif op een bepaalde neststand goed presteert, dan houdt hij dat bij de vol­gende cyclus in de gaten. Dat vergemakkelijkt het aan­wijzen van de gete­kende duiven. Maar het allerbelangrijkste is toch het onderkennen van de vorm bij de duiven. Jan: 'Als de duiven plakkerig, zeg maar zweterig beginnen aan te voelen dan zit je goed. De duiven schieten dan bij het trainen als zwalu­wen door de luchten. Er zit dan een enor­me jacht op de duiven, alsof ze door iets verschrikkelijks achter­na gezeten worden. Maar zekerheid heb je nooit. Ik heb wel eens duiven ingekorfd waarvan ik dacht: die rollen het con­cours op. En dan gebeur­de het niet. En een week later als ik dacht dat ze over hun toppunt heen waren, was het wel raak. Het blijft dus moei­lijk vooraf te zeg­gen. Acheraf weten we het altijd allemaal wel, maar vooraf ...'



ZOUT

Om te voorkomen dat de duiven drang krijgen om naar het veld te gaan is hij uiterst secuur met het verstrekken van een aantal nevenproduk­ten. Zo krij­gen de duiven van twee verschillende fabrikanten grit. Als de duiven jongen hebben wordt er een potje met mineralenpoeder op het hok gezet. Overigens let Jan erop dat er niet teveel zout in het poeder zit. Fabri­kanten voegen dat nogal eens toe om het aantrekkelijk voor de duiven te maken.

Be­halve het feit dat ze er veel van gaan drinken is een overmaat aan zout slecht voor de duiven. Je ziet het nogal eens bij duiven die gedurende langere tijd geen mineralenpoeder of piksteen ter beschik­king hadden. Op hun zouthonger lijkt geen rem te staan als zij zout­houdende produkten voorgeschoteld krijgen. Het effect is een acute zoutvergiftiging: slijmerige diarree, bolzittende duiven en, in ern­stige gevallen, zenuwstoornissen. De voor een postduif dodelijke (!) hoe­veelheid zout ligt om en nabij de 1,5 gram.

Twee dagen voor de inkorving krijgen de duiven via het drinkwater een multivitaminepreparaat toegediend. Jan: 'Er zijn kampioenen die nooit vitamines geven en er vanuit gaan dat het alle­maal in het voer zit. Misschien hebben ze wel gelijk. Maar ik ben van huisuit gewend om regelmatig vitamines te geven. Misschien kunnen de ze ook wel zonder maar omdat ik door het tegelijkertijd vliegen en kweken toch een zware krachtsinspanning van de duiven vraag, denk ik dat de duiven toch iets extra's nodig hebben.'

Verder voert Jan van der Pol het hele jaar door dezelfde mengeling. Hij koopt bij zijn voerleverancier een kweekmengeling die hij in een verhouding van 2:1 mengt met een dieetmengeling. Gerst komt op de hokken Van der Pol niet in de voer­bak. Waarom? 'Ik vlieg al jaren goed zonder gerst­. Als het zonder kan waarom zou je het dan met doen?' Als ik Jan vraag hoeveel hij de duiven voert dan moet hij het antwoord schuldig blijven. Hij weet het domweg niet omdat hij er nooit over nadenkt. Het voeren gaat vanzelf. 'Het is het gevoel van het handje,' zoals Jan dat noemt. Hij gaat volledig af op zijn intuïtie waarbij de behoefte van de individuele duif leidend is. 'De ene duif krijgt daar­door misschien een beetje meer dan de ander. Maar dat is niet anders. Het is echt een kwestie van gevoel. Natuur­lijk krijgen duiven met jon­gen meer dan duiven die zitten te broeden. Maar hoeveel meer? Ik weet het niet want ik doe dat op het gevoel.' Aldus onze nestspeler.

Juist omdat het voeren bij Jan van der Pol een kwestie van gevoel is worden de duiven in hun broedhok gevoerd. Twee keer per dag. En als ze grote jongen hebben krijgen ze tussen de middag ook nog een beetje. Jan van der Pol speelt nooit op de honger maar er mag ook niets blij­ven liggen.



MOTIVATIE-MYTHE

Een goed gemotiveerde nestduif doet niet onder voor een weduwnaar. Te­nslotte kunnen zij in beginsel even snel vliegen. Jan: 'Ik stoei veel met mijn duiven, ik praat zelfs met ze. Je zou het eigenlijk moeten zien want vertellen kan ik het niet. Ik zorg voor een goede band tus­sen duif en liefhebber. Het is voor die beest­jes een feest als ik op het hok kom. Als ik met mijn hand bij een broedhok kom, komen de dui­ven al van hun nest af om het tegen mij te verdedi­gen. Ik stimuleer hun ouder- en dus hun bescher­minstinct.'

De duiven moeten hun motivatie putten uit hun natuurlijke gedrag en leef­omgeving. Al wat Jan van der Pol doet is zo optimaal mogelijke levens­omstandigheden creëren. Wat dat betreft zijn Jans denkbeelden volle­dig in lijn met die van R.K. Sprenger die in zijn boek 'Mythos Motiva­tion, Wege aus der Sack­gasse' (1991) de kachel aan maakt met de moti­vatie-mythe. Alleen gaat het er bij Sprenger niet om liefhebbers/du­iven maar om managers/werkn­emers. Volgens Sprenger moe­ten managers zich zo klein mogelijk maken: de werknemers moeten het doen. Er wordt te veel gemanaged vanuit de be­hoeften van de manager in plaats vanuit die van de werknemer. Wan­neer een manager vindt dat hij moet motive­ren, heeft hij het al ver­keerd gedaan: 'Als wir der Sinn unserer Ar­beit nicht mehr sahen, be­gannen wir über Motivation zu re­den.' (s.196)

Wat bijgevolg managers moeten doen is niet actief hun mensen proberen te 'motiveren', maar het werk zo inrichten dat medewerkers daardoor zelf gemotiveerd aan het werk gaan.

Vertaald naar de duivensport betekenen de woorden van Sprenger dat al die zogenaamde motivatietrucjes slechts dienen om het gemoed van de liefhebber gerust te stellen. Hij zou er beter aan doen optimale om­standigheden op zijn hok te bewerkstelligen. Dan gaan de duiven als vanzelf gemotiveerd op reis. Als het om de motivatie van de duiven gaat hebben truc­jes nauwelijks betekenis.

Hoewel Jan er niet voor doorge­leerd heeft, bezit hij toch dezelfde wijsheid: 'Ik doe niet aan dof­fers weghalen of jongen onder schuiven en nog meer van dat soort trucs. En waarom niet? Misschien wel omdat ik gewoon een ouder­wetse speler ben. Zonder die poes­pas komen mijn duiven ook snel naar huis. En dan begin je vanzelf niet aan die romp­slomp. Ik durf het ook niet bij wijze van experiment te probe­ren want het gaat zonder ook goed.'
Publicatie
februari 1998

Jan van de Pol
This page created with Cool Page.  Click to get your own FREE copy of Cool Page!