50 Jaar kampioen!

De duivensport heeft heel wat grote kampioenen voort gebracht. Wegge, Bricoux, Huiskens-Van Riel, Stichelbaut, Havenith, Gebroeders Janssen, Delbar en Cattrijsse zijn, om een paar willekeurige te noemen, stuk voor stuk namen die klinken als een klok. Zij waren ooit voor kortere of langere tijd grote kampioenen. En ook heden ten dage is hun rol nog niet uitgespeeld: in menige pedigree tref je de basisduiven van deze liefhebbers nog aan.

Een man die zonder twijfel tot dit illustere rijtje namen behoort is Jos van Limpt-De Klak uit Reusel (NL). Met dit verschil dat hij nog altijd in kamioensstijl vliegt. En nog steeds met uitsluitend nestspel. Reeds bij leven is hij een legende. Al jaren geeft hij geen interviews meer. Kwestie van het rustiger aan willen doen. De hoge leeftijd en een broze gezondheid spelen hem parten. Maar voor Brieftaubensport International maakte hij nog eenmaal een uitzondering.


STUKJE GESCHIEDENIS

Jos van Limpt-de Klak kreeg de duivensport met de paplepel ingegeven. Zijn vader was voor de Tweede Wereldoorlog al een kampioen waar met ontzag over gesproken werd. Hij speelde in die tijd als één van de eersten met het soort van de Gebroeders Janssen uit het naburige Arendonk. Vader van Limpt zat op de sigarenfabriek waar hij werkte, naast Arjaan Janssen en geraakte zodoende aan het beste van het beste.

Jos van Limpt kreeg niet alleen de liefde voor de sport maar ook zijn bijnaam ‘De Klak’ van zijn vader. Toen vader Van Limpt tijdens een malse regenbui met een grote klak (Belgische uitdrukking voor ‘pet’) op het kleine hoofdje werd gezien, was zijn bijnaam geboren. Nadat vader Van Limpt in 1943 was komen te overlijden ging zijn bijnaam vrijwel automatisch over op zijn zoon Jos.

Omdat het houden van postduiven in de Tweede Wereldoorlog verboden was, moest Jos na de Wereldbrand helemaal opnieuw beginnen. Op aandrang van moeder Van Limpt klopte Jos aan bij de beroemde broers in Arendonk. Tenslotte was zijn vader er ook altijd correct geholpen en had hij grote successen met de duiven van de mannekes gehad.

‘Ze hebben mij hier in Reusel toen wel uitgelachen. Het waren namelijk dure duiven die ik kocht en het succes liet aanvankelijk op zich wachten’, aldus Jos. ‘Ik trok mij daar niks van aan. Ik wist dat ik klasse duiven had gekocht en dat het succes vroeg of laat zou komen. Het duurde tot 1948. Toen werd ik hier in Reusel voor de eerste maal 1e kampioen.’ En nu, vijftig jaar later, behoort hij nog steeds tot de kampioenen. En nog altijd met de soort van de Gebroeders Janssen aan de basis.


PRIJZEN

Van zijn eerste kampioenschap in 1948 hangt het diploma nog altijd als stille getuige in het duivenkantoortje van Jos. Sindsdien zijn er ontelbare prijzen en kampioenschappen op zijn naam bijgeschreven. Diploma’s, bekers, luxe artikelen, alle denkbare prijzen die er op de wedvluchten te verdienen waren, kreeg Jos tijdens de kampioenendagen uitgereikt. Om u een voorbeeld te geven: in 1966 won de Klak in twee weken tijd op twee midfondvluchten 1 fornuis, 1 koelkast, 2 centrifuges, 1 servies, 1 wollen deken, 3 tuinstoelen, 4 keukenmixers, 3 duivenklokken, 6 duivenmanden, 2 bekers alsmede de nodige geldprijzen.

Met name de duivenklokken waren in die tijd populaire prijzen. Jos won er zoveel dat hij besloot om ze maar te verhuren. Dan kwamen ze tenminste ten goede van de duivensport. Op een gegeven moment had hij er maar liefst zestien onder collega-duivenhouders uitstaan!

Jos: ‘Ik heb van mijn leven zoveel gewonnen dat ik nu niets meer om die prijzen geef. Begrijp me goed, ik ben nog net zo blij als vroeger wanneer ik een eerste prijs of een kampioenschap win. Maar ze hoeven mij er geen prijs voor te geven. Die gaan hier toch weer zo de deur uit. Ik heb pas nog een aantal bekers weggegeven voor de jeugd. Alleen het diploma van mijn kampioenschap in 1948, dat is voor geen geld te koop. Dat blijft hier hangen tot aan mijn dood!’

Overigens is Jos Klak, net als zoveel andere liefhebbers in Nederland, in 1998 overgestapt op een electronisch constateersysteem. ‘Een verrijking voor de duivensport’, noemt Jos deze manier van constateren. ‘Zeker voor mensen zoals ik. Vroeger, toen ik nog gezond van lijf en leden was, zag ik nauwelijks een duif thuis komen omdat ik van het ene naar het andere hok rende. Tegenwoordig kom ik al lucht te kort als ik een trap op loop, laat staan als ik vier of vijf duiven achter elkaar moet constateren. Met dit electronische constateerssysteem sla ik twee vliegen in één klap: ik zie vanuit mijn stoel alle duiven thuis komen en ze worden nog geconstateerd ook.’


MOOISTE OVERWINNING

Wat is nu de mooiste prestatie die Jos van Limpt in de loop der jaren heeft geleverd? Jos moet er diep over nadenken. Aarzelend zegt hij: ‘Ik denk wel dat de schoonste overwinning was op het jubileumconcours van de afdeling Oost-Brabant vanuit Orleans in 1959. Ik won toen hier in Reusel de vijf eerste prijzen. Ik had er tien mee en mijn negende duif won nog 1:10 prijs.’ In de  afdeling scoorde Jos destijds eveneens negen prijzen: 1, 3, 6, 11, 31, 48, 72, 81 en 94e.

Dan als hij er nog even over nagedacht heeft: Het schoonste van al was toch de strijd met Jansen-De Smed van Bladel om de ‘Zilveren duif’, een wisselprijs voor de 2 eerst geklokte duiven op Orleans. Die wisselprijs moest je twee jaar achtereen of drie keer in totaal winnen om hem te mogen houden. Jansen-De Smed was een verrekte goede liefhebber. In ’58 won hij de ‘Zilveren duif’. In ’59 kwam hij na het concours hier aan: ‘de ‘Zilveren duif’ is voor mij!’ Hij speelde namelijk in Bladel de twee eerste prijzen. Ik vroeg aan hem: ‘hoe laat zit je?’ ‘Op ’12.32’ en ’12.33’’ zei een trotse De Smed. Toen had ik er echter al vijf en won dus met glans de ‘Zilveren duif’.

In ’60 dacht ik bij mijzelf: ‘Nu zal ik eens proberen om die ‘Zilveren duif’ definitief te winnen. Veertien dagen voor Orleans speelden wij Pont St. Maxence. Ik speelde in de midfondclub met vierentwintig duiven mee zestien prijzen waarvan zes bij de eerste vijftig. Dat was dus een prima resultaat. Ik zei tegen mijzelf: nu komt er de komende veertien dagen geen vreemde op het hok en ik laat ze rusten.’ Jos liet zijn duiven een week thuis en op woensdag ging hij met een emmer lauw water naar het hok. Hij zocht twaalf favorieten uit en dompelde ze in dat lauwe bad. Bij het inmanden zagen de duiven er geweldig uit. Jos: ‘Zondags gingen de duiven los. We lagen hier in de slootkant met een man of zeven, acht op de duiven te wachten. Ik had al een paar keer gemompeld dat ze toch langzamerhand moesten komen, toen de schoenmaker door de straat komt fietsen met zijn klokske bij zich. Hij vroeg: ‘Klak hoeveel heb je er? Ik heb ze thuis.’  Ik was met stomheid geslagen. Ik begreep niet waar mijn duiven bleven. Na verloop van een paar minuten kreeg ik er dan ook ene en binnen tien minuten had ik ze allemaal thuis. Ik speelde er vier bij de laatste twintig. De zondag erop was het weer raak met een prima uitslag. Ik heb altijd gezegd dat die week rust de boosdoener is geweest. Ik heb ze uit hun ritme gehaald.’ Dat Jos van Limpt na deze deceptie uiteindelijk toch definitief de ‘Zilveren duif’ wist te veroveren tekent de klasse van de liefhebber en de duiven.


TELEURSTELLING

Wie zoveel successen heeft gehad, kende natuurlijk ook de nodige teleurstellingen. Daarover hoeft Jos beduidend minder lang na te denken. ‘In de eerste plaats was dat toen ik in 1960 de ‘Zilveren duif’ dacht te winnen. Een tweede grote teleurstelling beleefde ik ooit tijdens een ‘Holland-België’ wedstrijd vanuit St. Denis die tussen Reusel en Arendonk werd georganiseerd. In de weken voor die wedstrijd waren er al verschillende Arendonkers hier geweest die vroegen: Ge doet toch wel mee? Ik besloot die mannen eens te laten zien wie nu eigenlijk ‘De Klak’ uit Reusel was. Ik zette mijn vier beste duiven naar St. Denis, de rest van mijn duiven ging naar Pont St. Maxence dat dezelfde dag gespeeld werd.

De duiven uit Pont kwamen als eerste thuis. Ze kwamen geweldig af, ik speelde overal de eerste. Dat beloofde wat voor St. Denis. Maar die duiven lieten lang op zich wachten. Het hele dorp hier had al duiven terwijl ik nog geen veer had gezien. Ik dacht toen: ze hebben ze uit de mand gepakt en ik zie ze nooit meer. Dat was natuurlijk niet netjes van mij maar ik kon er niets aan doen. Ik was zo teleurgesteld. Toen er, een half uur na de prijzen, eenmaal een duif kwam waren ze in tijd van twee minuten alle vier thuis. Maar ik zat er hartstikke onder door.


BIJHUIZEN

Jos Klak is een fenomeen en idool tegelijk. Duizenden liefhebbers in onze sport stelden zich deze man als voorbeeld. Het geheim van Klak’s langdurige succes is waarschijnlijk dat hij altijd meer duivenspeler dan duivenverkoper is geweest. Als hij dacht dat hij een bepaalde duif niet kon missen dan werd hij ook niet verkocht. Voor geen geld. Zo bleef de stam intact en werden slechts de blaadjes of hooguit een tak van de boom verkocht. Jos heeft van zijn duivenhok nooit een fabriek gemaakt. Het spel stond steeds voorop en niet de verkoopcijfers. Hij kweekte altijd eerst voor zich zelf en de rest mocht verkocht worden.

Toch is in Nederland geen liefhebber die met zijn soort zoveel andere liefhebbers kampioen heeft gemaakt als juist Jos de Klak. En wereldwijd wordt hij waarschijnlijk alleen naar de kroon gestoken door de Gebroeders Janssen uit Arendonk. Duizenden liefhebbers haalden bij de gebroeders duizenden duiven. Maar wie heeft er meer rendement uit deze duiven gehaald dan Jos Klak? Dat namelijk tekent zijn meesterschap. Door te selecteren op een hoog prestatieniveau vormde hij uit de Janssenduiven een eigen duivenstapel met een eigen aanzien, een eigen mordant, kortom specifieke ‘Klakduiven’ die wijd en zijd gewild zijn.

Het aantal succesvolle ‘Klak-bijhuizen’ is dan ook schier ontelbaar. En Jos is daar trots op. ‘Tja, het is hier geen fabriek. Er worden hier geen duizenden jongen geboren. Als er per jaar een goede honderd weg gaan dan heb je het wel gehad, denk ik. Ik denk dat het inderdaad zo is dat procentueel gezien er in Holland geen betere bijhuizen zijn als van hier.’

Jos de Klak heeft nooit andere duiven willen hebben dan die van de Janssens. Niet omdat andere duiven niet goed waren maar ze waren zeker niet beter. Toch heeft Jos nooit bij tientallen duiven gehaald in Arendonk. ‘Ooit heb ik er eens vijf tegelijk gehaald maar meestal kocht ik er maar twee of vier. In ‘75 haalde ik er vier jongen en het was vier keer raak. Ik nam toen een jong mee uit de ‘Oude Merckx’, de ‘Jonge Merckx’, de Oude Witoger’ en de ‘Geeloger’. Als je er vandaag de dag  vier haalt en het is één keer raak dan is het een goede koop. Dat is niet uitzonderlijk slecht of zo maar in die tijd haalde ik er vier en het waren ook vier goede.’

Jos heeft in Arendonk nooit zelf jongen uitgezocht. ‘Ik ging zomers wel eens bij de mannekes buurten en dan vertelden ze: daar hebben we een goeie uit en daar hebben we een goeie van. Dat onthield ik dan en later vroeg ik: geef me de daar en daar maar eens een van. Ik heb ook altijd net zoveel betaald als andere mensen en daar heb ik ook niets op tegen. Maar waar ik om vroeg dat heb ik ook altijd gekregen. Van het begin af.


GOEDE DUIVEN

Over goede duiven heeft Jos de Klak nooit te klagen gehad. Hoewel ook hij als geen ander weet dat echte supercracks met een lantaarntje gezocht moeten worden. Mag iedere andere liefhebber van geluk spreken als hij eens in zijn leven zo’n supercrack op het hok krijgt, Jos de Klak heeft het genoegen mogen smaken een aantal van zulke fantastische duiven te hebben gehad. Om te beginnen was daar natuurlijk de H47-266881. Deze doffer was op 7, 8 en 9 jarige leeftijd kampioensduif in Reusel. Hij heeft` in zijn glanzende carrière in totaal 108 prijzen verdiend.

De ‘43-duif’ (H62-538343) uit het JONG KOPPEL was ook jarenlang een fenomeen op het hok ‘De Klak’. Jos bewaart dan ook fijne herinneringen aan dit duifje: ‘Dat was een duifje dat, als zij samen met honderd andere duiven hier boven het dorp verscheen, gegarandeerd de eerste won. Zo snel kwam ze altijd binnen. Ooit hing de was eens te drogen voor het hok. Ze dook er zo middenin. Ik dacht dat ze zich hartstikke dood zou vliegen. Als je de klep nog dicht had liggen als ze thuis kwam dan zou ze de ruiten eruit vliegen.’  De ‘43-duif’ werd in 1964 en 1966 kampioensduif en won in zes jaar tijd 72 prijzen waaronder 6x 1e, 6x 2e, 2x 3e, 1x 4e, 2x 5e, 3x 6e, 1x 7e, 2x 8e, enz..

Een enorme pointeur uit de jaren zeventig was een andere nazaat van het beroemde ‘JONG KOPPEL’: de Kras witpen van ’77 (NL77-2629598). Deze doffer uit de ‘Lichte van ‘72’ x de ‘11-duif uit Jong Koppel’ won 67 prijzen waaronder 5x 1e! Zijn mooiste overwinning was als jarige vanuit Danmartin in de afdeling Oost Brabant tegen 5.253 duiven.

Maar de beste duif die Jos de Klak naar eigen zeggen bezat was de ‘13’ (NL89-1775613). Nochtans kan niet worden gezegd dat Jos het van meet af aan in deze blauwe doffer zag zitten. Jos: ‘In 1990 had ik op de eerste vlucht 24 duiven mee. Ik weet niet meer hoeveelste getekende de ‘13’ was maar hij vloog slechts een prijske achterin. In de daarop volgende week kwamen de eitjes uit en dan moet je enkele duiven thuis houden om voor de jongen te zorgen. Uiteraard gaan de beste duiven dan mee en dus bleef de ‘13’ thuis. Hij is toen 14 dagen thuis gebleven. Daarna moest hij weer mee. Ik had er weer 24 mee en de ‘13’ stond als 24e getekende op de lijst. Vervolgens won hij de eerste prijs! Ik dacht: Tsjonge , tsjonge, dat is wat met jou! Ik zette hem daarna weer mee en hij zat iedere zondag aan de kop! En daarmee heeft Jos de Klak geen woord te veel gezegd. De ‘13’ werd drie keer kampioensduif en won in totaal 74 prijzen waarvan 48stuks 1:10. Zijn mooiste prijzen waren 1e Chantilly (2654 d.), 1e Creil (1029 d.), 1e Chantilly (506 d.), 1e Orleans (451 d.), 2e Chantilly (2200 d.), 2e Chantilly (1270 d.) en 2e Chantilly (1081 d.).


KWEKEN

Het vakmanschap van Jos de Klak staat er borg voor dat in alle hedendaagse ‘klakduiven’ het bloed van de cracks van vroeger ruimschoots vertegenwoordigd is. Wie de pedigree van een willekeurige ‘klakduif’ uitpluist heeft goede kans dat hij in die stamboom alle hiervoor genoemde cracks tegen komt. Want dat is het parool van De Klak: werken met een goede stam, verwijderde inteelt, veel spelen en streng selecteren.

Toch kan Jos de Klak niet zeggen dat bepaalde lijnen van zijn stam altijd maar weer goede duiven geven. En ook het predikaat ‘kweekduif’ is geen garantie voor succes. Jos: ‘Het ene jaar komen ze hier uit en het andere jaar komen ze daar uit. In ’97 ben ik veel jonge duiven verloren. Maar van de duiven die ik over heb gehouden kwamen er maar twee van het kweekhok en de rest kwam van het vlieghok.’

Maar vijftig jaar bij de kampioenen behoren, dat kan toch geen geluk zijn? ‘Natuurlijk zijn een goed hok en een stipte en goede verzorging van belang. En je moet veel spelen als ge goeie wilt kweken. Want als ge niet mee vliegt dan weet je niet meer welke de goede zijn. Maar om een crack te kweken heb je een dosis geluk nodig,’ aldus Jos die zijn beweringen staaft met twee sprekende voorbeelden.

‘Ik had destijds uit het bekende koppel ‘Vechter’ x ‘Witpenneke’ verschillende goede duiven maar er was er geen één bij zoals de ‘46’ van Verbart die 15 eerste prijzen won. Piet Verbart nam de ‘46’ als eitje mee. Als ik geweten had dat het zo’n crack zou worden had ik dat eitje nooit verkocht. Maar ja, er is nu eenmaal geen mens die in een duif kan kijken. Zo is de duivensport en zo zal die ook wel blijven.’

Als tweede voorbeeld noemt Klak zijn ‘13’. In het najaar van ’87 had Jos de Klak elf duiven over zitten. Tien daarvan werden alras aan die en gene verkocht. De elfde duif wilde niemand hebben vanwege zijn hoekige bouw. Niet voor niets werd hij de ‘Knook’ genoemd. Die winter bleef er een doffer van het hok weg. Zodoende mocht de ‘Knook’ het open gevallen plaatsje innemen. Uiteindelijk werd hij gekoppeld aan de ‘85-duif’. Die ‘85-duif’ was overigens niet de eerste de beste: zij won ooit het afdelingsconcours vanuit Chantilly tegen 4940 duiven. Het eerste jong wat uit dit koppel kwam was de ‘13’.  ‘Ik heb met het koppel ‘Knook’ x ‘85-duif’ nog drie jaar gefokt. Maar er kwam niet één jong uit dat aan de ‘13’ kon tippen’, stelt Jos spijtig vast.


DUIVENKENNER

Wie al eens indringend met Jos de Klak over duiven aan de praat kwam zal ongetwijfeld geconfronteerd zijn met een uitspraak als: ‘Wie kent er iets van een duif? Ik niet!’ Nu is het niet aan mij om die uitspraak tegen te spreken. Maar dat de Klak beduidend meer kijk op duiven heeft dan de meeste van ons, dat staat voor mij vast. Want wie goed luistert hoort hem uitspraken doen die van grote waarde kunnen zijn bij uitoefening van de duivensport. Ik zette er een aantal voor u op een rijtje:

  •     De duivensport laat zich niet met geld dwingen; voor succes moet je hard werken.

· •     Een droog hok en een goed soort duiven die in conditie zijn, dat is het voornaamste.

· •     Ik doe aan inteelt maar verder dan de 3e graad ga ik niet, neef x nicht soms grootouder x kleinkind.

· •     Ik dokter aan een zieke duif maar van een gezonde blijf ik met de medicijnpot af.

· •     Een goeie atleet heeft niets extra’s nodig, alleen regelmaat.

· •     Een duif moet hersens hebben, de rest is bijzaak.

· •     Goed vliegen is mooi maar goed kweken is veel belangrijker.

· •     Goede vliegers zijn later vaak de beste kwekers.

· •     Bij slecht weer geef ik laatkomers graag clementie; bij echt duivenweer geldt echter geen excuus.

· •     Een duif wordt, naar mate hij vaker kop vliegt, steeds mooier.

· •     Op ieder hok worden meer slechte dan goede duiven gekweekt.

· •     Goede duiven hebben altijd hun zondagse pak aan.

· •     Gezond voer is niet hetzelfde als duur voer.

· •     Nestduiven moet je trainen als weduwnaars.


EPILOOG

Het leven van Jos de Klak heeft altijd in het teken van de duivensport gestaan. Zijn vrouw Marie zei altijd: ‘De duiven zijn één, ik ben twee. Bij alles wat er in huize Van Limpt passeerde werd eerst gekeken of de duiven er onder zouden lijden. Want de filosofie van Jos is: als je, ongeacht in welke sport, je niet voor de volle honderd procent inzet dan zul je nooit de top bereiken. Zo was dat vroeger en zo is het nu nog. Jos: ‘Als ik nu twintig jaar zou zijn en weer de ambitie zou hebben om de beste te zijn dan zou ik mijn leven net zo inrichten als ik de afgelopen vijftig jaar heb gedaan. Op een andere manier is de top niet te bereiken!’

Niettemin kijkt Jos inmiddels toch een tikje anders naar de duivensport. ‘Zolang ik kan zal ik proberen op de midfond kampioen te worden. De andere vluchten interesseren mij niet meer. Als de duiven goed komen dan ben ik daar nog net zo blij mee als vroeger. Maar als ik eens een keer slecht speel dan lig ik daar niet meer van wakker. En dat was vroeger wel anders.’

Over belangstelling voor zijn duiven en prestaties heeft Jos de Klak nooit te klagen gehad. Zijn soort is verspreid over alle continenten. Zijn vrouw Marie schonk vele duizenden liters koffie. En soms zaten er wel twinitg bezoekers tegelijk aan de keukentafel. Vandaag de dag zet Jos niet alles meer aan de kant voor de duiven. Hij trekt er, zolang het nog kan, liever met Marie op uit dan dat hij duivenmelkers ontvangt. Vandaar dat hij in principe ook geen interviews meer geeft. Iedere vorm van publiciteit levert immers altijd weer mensen op die onaangekondigd en ongevraagd op bezoek komen. Daarom beste lezers, treft u anders dan te doen gebruikelijk, geen adres en telefoonnummer onder dit artikel aan. Beteugel uw nieuwsgierigheid en respecteer Jos’ privacy.



* * * * * 





Meer dan een halve eeuw succesvol in de duivensport

JOS VAN LIMPT-‘DE KLAK’


'Voetballer van de eeuw’, ‘sportvrouw van de eeuw’, ‘zakenmens van de eeuw’. Zelfs een ‘katholiek van de eeuw’. En juist op de dag dat ik dit typ lees ik in de krant over Einstein, de ‘mens van de eeuw’. Bij het begin van een nieuw millennium hebben we er in ons kleine landje kennelijk behoefte aan om terug te kijken op het afgelopen millennium en ons een voorbeeld te stellen voor de komende eeuw. Even was ik bang dat er geen verkiezing van de ‘duivenliefhebber van de eeuw’ zou zijn. Gelukkig werd dat door dit Orgaan op het laatste moment recht gezet. Daarmee tonen we aan een volwassen sport te zijn en mee te delen in de hebbelijkheden en onhebbelijkheden van onze samenleving. Hoewel ik de uitslag op het moment dat ik dit typ nog niet ken lijkt mij de uitkomst van deze verkiezing op voorhand glashelder. Er is geen postduivenliefhebber in Nederland over wie nu al meer dan vijftig jaar met zoveel ontzag en waardering wordt gesproken als Jos van Limpt uit Reusel. In de volksmond beter bekend als ‘De Klak’.


Duivenliefhebber van de eeuw. Ik weet zeker dat ik met die aanduiding Jos van Limpt (76) geen plezier doe. Hij beschouwt zichzelf als een gewoon mens en wil dat ook graag blijven. Wie al eens indringend met Jos de Klak over duiven aan de praat kwam zal ongetwijfeld geconfronteerd zijn met een uitspraak als: ‘Wie kent er iets van een duif? Ik niet!’ Nu is het niet aan mij om die uitspraak tegen te spreken. Het is zijn manier om de zaken te relativeren. Maar aan de andere kant blijf je niet zo maar meer dan vijftig jaar aan de top in de duivensport. Dat komt natuurlijk niet uit de lucht vallen.

Jos van Limpt oogst dan ook allerwegen veel waardering voor zijn raadgevingen. Herman Borgmans, de helft van het inmiddels beroemde ‘nevenkoppel’ van Jos, zei het mij ooit zo: ‘Ome Jos zegt altijd dat hij geen verstand van duiven heeft. Dat zal best waar zijn maar hij ziet en voelt toch net even wat meer als een ander. Hij heeft ons al zo dikwijls op het hok ergens op geattendeerd wat wij zelf over het hoofd hadden gezien. Dat kan geen toeval meer zijn.’

Een andere supporter van ‘De Klak’ is Jos van de Wijdeven uit Casteren. Ook hij is groot geworden met de aanwijzingen van Jos van Limpt. ‘Als ge met ‘De Klak’ praat dan vertelt hij soms dingen die ogenschijnlijk niet van belang zijn. Als je dan later op eigen hok met een probleem wordt geconfronteerd dan realiseer je je plots dat Jos daar tussen neus en lippen door iets over gezegd heeft. En vaak blijkt dat de oplossing te zijn’.

Een derde kampioen, en dan stop ik er mee, die zijn waardering voor Jos’ duivenkennis niet onder stoelen of banken steekt is de kampioen van c.c. Peel & Maas, Gerrit Linders uit Ysselsteijn. ‘Ik wilde dat ik tien jaar eerder met ‘De Klak’ in contact was gekomen. Wat die man aan duivenkennis in huis heeft grenst aan het ongelooflijke’.

Jos de Klak is geen waarzegger. Maar wel ontegenzeglijk een kundig duivenliefhebber. Één die zijn leven lang al geweten heeft wat hij wilde: hard vliegen. Daar heeft hij ook steeds alles voor gedaan. Vandaar dat het ons de moeite waard leek om bij het begin van het nieuwe millennium mee te laten delen in de ervaringen van een groot kampioen en een gewaardeerd mens.


GESCHIEDENIS

Jos van Limpt-de Klak kreeg de duivensport met de paplepel ingegeven. Zijn vader was voor de Tweede Wereldoorlog al een kampioen waar met ontzag over gesproken werd. Hij speelde in die tijd als één van de eersten met het soort van de Gebroeders Janssen uit het naburige Arendonk. Vader van Limpt zat op de sigarenfabriek waar hij werkte, naast Adriaan Janssen en geraakte zodoende aan het beste van het beste. Al in 1928 kwamen de eerste Janssenduiven naar Reusel.

Jos van Limpt kreeg niet alleen de liefde voor de sport maar ook zijn bijnaam ‘De Klak’ van zijn vader. Toen vader Van Limpt tijdens een malse regenbui met een grote klak (Belgische uitdrukking voor ‘pet’) op het kleine hoofdje werd gezien, was zijn bijnaam geboren. Nadat vader Van Limpt in 1943 was komen te overlijden ging zijn bijnaam vrijwel automatisch over op zijn zoon Jos.

Omdat het houden van postduiven in de Tweede Wereldoorlog verboden was, moest Jos na de Wereldbrand helemaal opnieuw beginnen. Op aandrang van moeder Van Limpt klopte Jos aan bij de beroemde broers in Arendonk. Tenslotte was zijn vader er ook altijd correct geholpen en had hij grote GESCHIEDENISsuccessen met de duiven van de mannekes gehad.

‘Ze hebben mij hier in Reusel toen wel uitgelachen. Het waren namelijk dure duiven die ik kocht en het succes liet aanvankelijk op zich wachten’, aldus Jos. ‘Ik trok mij daar niks van aan. Ik wist dat ik bij eerlijke liefhebbers had gekocht die hard speelden. Met voldoende geduld zou het succes vroeg of laat komen. Dat was mijn stellige overtuiging. Het duurde tot 1948. Toen werd ik hier in Reusel voor de eerste maal 1e kampioen.’ En nu, ruim vijftig jaar later, behoort hij nog steeds tot de kampioenen. En nog altijd met de soort van de Gebroeders Janssen aan de basis.



PRIJZEN

Van zijn eerste kampioenschap in 1948 hangt het diploma nog altijd als stille getuige in het duivenkantoortje van Jos. Sindsdien zijn er ontelbare prijzen en kampioenschappen op zijn naam bijgeschreven. Diploma’s, bekers, luxe artikelen, alle denkbare prijzen die er op de wedvluchten te verdienen waren, kreeg Jos tijdens de kampioenendagen uitgereikt. Om u een voorbeeld te geven: in 1966 won de Klak in twee weken tijd op twee midfondvluchten 1 fornuis, 1 koelkast, 2 centrifuges, 1 servies, 1 wollen deken, 3 tuinstoelen, 4 keukenmixers, 3 duivenklokken, 6 duivenmanden, 2 bekers alsmede de nodige geldprijzen.

Met name de duivenklokken waren in die tijd populaire prijzen. Jos won er zoveel dat hij besloot om ze maar te verhuren. Dan kwamen ze tenminste ten goede van de duivensport. Op een gegeven moment had hij er maar liefst zestien onder collega-duivenhouders uitstaan!

Jos: ‘Ik heb van mijn leven zoveel gewonnen dat ik nu niets meer om die prijzen geef. Begrijp me goed, ik ben nog net zo blij als vroeger wanneer ik een eerste prijs of een kampioenschap win. Maar ze hoeven mij er geen prijs voor te geven. Die gaan hier toch weer zo de deur uit. Alleen het diploma van mijn kampioenschap in 1948, dat is voor geen geld te koop. Dat blijft hier hangen tot aan mijn dood!’

Overigens is Jos Klak, net als zoveel andere liefhebbers in Nederland, in 1998 overgestapt op een electronisch constateersysteem. ‘Een verrijking voor de duivensport’, noemt Jos deze manier van constateren. ‘Zeker voor mensen zoals ik. Vroeger, toen ik nog gezond van lijf en leden was, zag ik nauwelijks een duif thuis komen omdat ik van het ene naar het andere hok rende. Tegenwoordig kom ik al lucht te kort als ik een trap op loop, laat staan als ik vier of vijf duiven achter elkaar moet constateren. Met dit electronische constateerssysteem sla ik twee vliegen in één klap: ik zie vanuit mijn stoel alle duiven thuis komen en ze worden nog geconstateerd ook.’


MOOISTE OVERWINNING

Wat is nu de mooiste prestatie die Jos van Limpt in de loop der jaren heeft geleverd? Jos moet er diep over nadenken. Aarzelend zegt hij: ‘Ik denk wel dat de schoonste overwinning was op het jubileumconcours van de afdeling Oost-Brabant vanuit Orleans in 1959. Ik won toen hier in Reusel de vijf eerste prijzen. Ik had er tien mee en mijn negende duif won nog 1:10 prijs.’ In de  afdeling scoorde Jos destijds eveneens negen prijzen: 1, 3, 6, 11, 31, 48, 72, 81 en 94e.

Dan, als hij er nog even over nagedacht heeft: Het schoonste van al was toch de strijd met Jansen-De Smed van Bladel om de ‘Zilveren duif’, een wisselprijs voor de 2 eerst geklokte duiven op Orleans. Die wisselprijs moest je twee jaar achtereen of drie keer in totaal winnen om hem te mogen houden. Jansen-De Smed was een verrekte goede liefhebber. In ’58 won hij de ‘Zilveren duif’. In ’59 kwam hij na het concours hier aan: ‘de ‘Zilveren duif’ is voor mij!’ Hij speelde namelijk in Bladel de twee eerste prijzen. Ik vroeg aan hem: ‘hoe laat zit je?’ ‘Op ’12.32’ en ’12.33’’ zei een trotse De Smed. Toen had ik er echter al vijf en won dus met glans de ‘Zilveren duif’.

In ’60 dacht ik bij mijzelf: ‘Nu zal ik eens proberen om die ‘Zilveren duif’ definitief te winnen. Veertien dagen voor Orleans speelden wij Pont St. Maxence. Ik speelde in de midfondclub met vierentwintig duiven mee zestien prijzen waarvan zes bij de eerste vijftig. Dat was dus een prima resultaat. Ik zei tegen mijzelf: nu komt er de komende veertien dagen geen vreemde op het hok en ik laat ze rusten.’ Jos liet zijn duiven een week thuis en op woensdag ging hij met een emmer lauw water naar het hok. Hij zocht twaalf favorieten uit en dompelde ze in dat lauwe bad. Bij het inmanden zagen de duiven er geweldig uit. Jos: ‘Zondags gingen de duiven los. We lagen hier in de slootkant met een man of zeven, acht op de duiven te wachten. Ik had al een paar keer gemompeld dat ze toch langzamerhand moesten komen, toen de schoenmaker door de straat kwam fietsen met zijn klokske bij zich. Hij vroeg: ‘Klak hoeveel heb je er? Ik heb ze thuis.’  Ik was met stomheid geslagen. Ik begreep niet waar mijn duiven bleven. Na verloop van een paar minuten kreeg ik er dan ook ene en binnen tien minuten had ik ze allemaal thuis. Ik speelde er vier bij de laatste twintig. De zondag erop was het weer raak met een prima uitslag. Ik heb altijd gezegd dat die week rust de boosdoener is geweest. Ik heb ze uit hun ritme gehaald.’ Dat Jos van Limpt na deze deceptie uiteindelijk toch definitief de ‘Zilveren duif’ wist te veroveren tekent de klasse van de liefhebber en de duiven.


TELEURSTELLING

Wie zoveel successen heeft gehad, kende natuurlijk ook de nodige teleurstellingen. Daarover hoeft Jos beduidend minder lang na te denken. ‘In de eerste plaats was dat toen ik in 1960 de ‘Zilveren duif’ dacht te winnen. Een tweede grote teleurstelling beleefde ik ooit tijdens een ‘Holland-België’ wedstrijd vanuit St. Denis die tussen Reusel en Arendonk werd georganiseerd. In de weken voor die wedstrijd waren er al verschillende Arendonkers hier geweest die vroegen: ‘Ge doet toch wel mee?’ Er was in die tijd nogal wat rivaliteit tussen de duivenliefhebbers in Arendonk en Reusel. Ik besloot die mannen eens te laten zien wie nu eigenlijk ‘De Klak’ uit Reusel was. Ik zette mijn vier beste duiven naar St. Denis, de rest van mijn duiven ging naar Pont St. Maxence dat dezelfde dag gespeeld werd.

De duiven uit Pont kwamen als eerste thuis. Ze kwamen geweldig af, ik speelde overal de eerste. Dat beloofde wat voor St. Denis. Maar die duiven lieten lang op zich wachten. Het hele dorp hier had al duiven terwijl ik nog geen veer had gezien. Ik dacht toen: ze hebben ze uit de mand gepakt en ik zie ze nooit meer. Dat was natuurlijk niet netjes van mij om zo te denken maar ik kon er niets aan doen. Ik was zo teleurgesteld. Toen er, een half uur na de prijzen, eenmaal een duif kwam waren ze in tijd van twee minuten alle vier thuis. Maar ik zat er hartstikke onder door.’

Een andere negatieve ervaring die in Jos zijn geheugen gegrift staat is de inbraak die in 1977 plaats vond. Onverlaten zagen kans om een gat in de achterwand van zijn hok te maken en een aantal duiven te ontvreemden. ‘Wat er bij de ontdekking van die inbraak door je heen gaat is met geen pen te beschrijven. Mijn eerste reactie was: nu stop ik met de sport. Het is afgelopen, ik doe niet meer mee. Uiteindelijk zet je jezelf er toch weer overheen en ga je toch door. Maar het blijft een vervelende ervaring.’

Overigens heeft Jos nadien een aantal preventiemaatregelen laten treffen die hem gevrijwaard hebben van verder ongenood bezoek.


Dr. LINSSEN

Één van de grote vrienden die Jos ooit in de duivensport gehad heeft  is Piet Linssen uit Helmond. Nog altijd spreekt Jos met warmte en waardering over deze dokter die op 15 maart 1974 onverwachts overleed. In 1962 werd Jos geveld door tuberculose. Eigenlijk moest Jos naar een sanatorium maar dankzij de inspanningen van de dokter kon Jos thuis blijven. Hij schreef hem medicijnen voor en kwam iedere twee weken op controle.

Er werd zelfs een ‘hokske’ in de tuin gebouwd van waaruit Jos uit zijn ziekbed toch naar de duiven kon kijken. Vanuit dat leger gaf hij zijn vrouw Marie aanwijzingen voor de verzorging. Nadat hij daar acht maanden had gelegen brak de tijd aan waarop de duiven gekoppeld moesten worden. Jos oordeelde dat dat niet kon zolang hij op bed lag. En van vliegen kon al hèlemaal geen sprake zijn, zo mokte hij. En weer greep de dokter in. ‘De duiven moeten jouw beter maken. Gij koppelt en straks gaat gij ook spelen. Je mag ‘s morgens en ‘s avonds een uur naar je duiven. Maar je mag geen krabber vatten. Er wordt niet gekrabd. Je mag duiven kijken maar verder niks.’

Jos was in zijn nopjes met het ‘recept’ van de dokter en heeft zelden meer van zijn duiven genoten als in die tijd. Maar alras vond Jos twee keer één uur per dag bij de duiven te weinig. Hij deed zijn beklag bij de dokter en kreeg toestemming om twee keer twee uur bij de duiven te zijn. En vervolgens twee keer drie uur. Uiteindelijk zei de dokter, die kennelijk van het gebedel om meer ‘duiventijd’ af wilde: ‘Weet je wat Jos? We zullen het zo maken. Dan heb je niks meer te zeggen. De tijd die je normaal in de fabriek moet werken ga je nu in je duivenkooi liggen en voor de rest van de dag ben je vrij. Maar denk erom niet krabben!’

Jos, die zich steeds strikt aan de aanwijzingen van de dokter heeft gehouden, was de koning te rijk. En het mes sneed aan twee kanten. Zijn gezondheid ging vooruit en de duiven vlogen als nooit tevoren. ‘Ik heb nooit zo goed gespeeld als dat jaar. Ik korfde zelfs één duif in voor  Angoûleme. Ze werden ‘s ochtends om zeven uur gelost en de wind kwam van voren. In heel Brabant kwam die dag geen duif thuis, in Zeeland 11 duiven. De volgende morgen om vijf uur vatte ik mijn duif. Ik speelde 2½ uur los in Reusel. Ook in Brabant speelde ik de eerste.’

Overigens heeft Jos zijn dankbaarheid jegens dr. Linssen nooit onder stoelen of banken gestoken. Hij voorzag de dokter steeds ruimhartig van het beste dat hij op zijn hok had. Daarmee lagen de duiven van Jos mede aan de basis van de geweldige successen die de dokter in de jaren zestig en begin jaren zeventig behaalde. De openbare verkoop van de Linssenduiven na het overlijden van de dokter was dan ook de meest indrukwekkende die Sander Krouwel ooit organiseerde. Sander: ‘Het werd een formidabele happening met Theo Koomen voor de stichting Socutera erbij. Het was zo verschrikkelijk druk dat een oudere liefhebber uit Nieuwegein niet naar het toilet kon. Hij stond in de zaal in de broek te plassen. Zo druk was het.’


BIJHUIZEN

Jos Klak is een fenomeen en idool tegelijk. Veel liefhebbers in onze sport stelden en stellen zich deze man als voorbeeld. En zijn duiven hebben steeds gretig aftrek gevonden.

Het geheim van Klak’s langdurige succes is waarschijnlijk dat hij altijd meer duivenspeler dan duivenverkoper is geweest. Als hij dacht dat hij een bepaalde duif niet kon missen dan werd hij ook niet verkocht. Voor geen geld. Zo bleef de stam intact en werden slechts de blaadjes of hooguit een tak van de boom verkocht. Jos heeft van zijn duivenhok nooit een fabriek gemaakt. Het spel stond steeds voorop en niet de verkoopcijfers. Hij kweekte altijd eerst voor zich zelf. De rest mocht vervolgens de deur uit.

Toch is er in Nederland waarschijnlijk geen liefhebber die met zijn soort zoveel andere liefhebbers kampioen heeft gemaakt als juist Jos de Klak. En wereldwijd wordt hij waarschijnlijk alleen naar de kroon gestoken door de Gebroeders Janssen uit Arendonk. Duizenden liefhebbers haalden bij de gebroeders duiven. En Jos was één van hen. Maar wie heeft er meer rendement uit deze duiven gehaald dan Jos Klak? Dat namelijk tekent zijn meesterschap. Door te selecteren op een hoog prestatieniveau vormde hij uit de Janssenduiven een eigen duivenstapel met een eigen aanzien, een eigen mordant, kortom specifieke ‘Klakduiven’ die wijd en zijd gewild zijn. Jos omschrijft zijn duiven als bezitters van een zachte pluim en een redelijke goede bouw, fel op het nest en onverschrokken vechtersbazen.

Hoewel, bij de bouw plaatst Jos tegenwoordig een kanttekening. ‘Door de inbreng van mijn ‘613’ en zijn vader ‘De Knook’ is de bouw van mijn duiven tegenwoordig iets minder ‘riant’. En het duurt ongeveer twee jaar voordat een ‘Klakduif’ volledig uitgegroeid is.’

Het aantal succesvolle ‘Klak-bijhuizen’ is schier ontelbaar. En Jos is daar trots op. ‘Tja, het is hier geen fabriek. Er worden hier geen duizenden jongen geboren. Als er per jaar een goede honderd weg gaan dan heb je het wel gehad, denk ik. Ik denk dat het inderdaad zo is dat procentueel gezien er in Holland geen liefhebber is met meer bijhuizen als van hier.’

Overigens wordt je niet zomaar een ‘bijhuis’. In 1966 of daaromtrent klopte de vrouw van een duivenliefhebber uit een naburig dorp in verband met de aanstaande verjaardag van haar lief bij Jos aan. Nadat de bel door het lege huis had laten klinken zonder dat er beweging in de voordeur kwam, stond ze op het punt om onverrichterzake te vertrekken. Juist op dat moment verscheen een buurvrouw ten tonele. ‘Ze zen nie thuis mevrouw’ verklaarde ze de gesloten deur. En vanuit haar Brabantse hartelijkheid vroeg ze vervolgens: ‘Wat moeste gehad hebben?’ ‘Eieren’ was het antwoord van de duivenliefhebbersvrouw. ‘Oh, da’s geen probleem’ zei de buurvrouw hulpvaardig. ‘Kom mar efkes bij mijn binne, ik hè er krek veertig bij de kippeboer gehoald!’

Jos de Klak heeft nooit andere duiven willen hebben dan die van de Janssens. Niet omdat andere duiven niet goed waren maar ze waren voor zijn gevoel zeker niet beter. Toch heeft Jos nooit bij tientallen duiven gehaald in Arendonk. ‘Ooit heb ik er eens vijf tegelijk gehaald maar meestal kocht ik er maar twee of vier. In ‘75 haalde ik er vier jongen en het was vier keer raak. Ik nam toen een jong mee uit de ‘Oude Merckx’, de ‘Jonge Merckx’, de Oude Witoger’ en de ‘Geeloger’. Als je er vandaag de dag  vier haalt en het is één keer raak dan is het een goede koop. Dat is niet uitzonderlijk slecht of zo maar in die tijd haalde ik er vier en het waren ook vier goede.’

Jos heeft in Arendonk nooit zelf jongen uitgezocht. ‘Ik ging zomers wel eens bij de mannekes buurten en dan vertelden ze: daar hebben we een goeie uit en den diejen da’s ook ene goeie. Dat onthield ik dan en later vroeg ik: geef me de daar en daar maar eens één van. Ik heb ook altijd net zoveel betaald als andere mensen en daar heb ik ook niets op tegen. Maar waar ik om vroeg dat heb ik ook altijd gekregen. Van het begin af.’


GOEDE DUIVEN

Wat een goede duif is? Jos heeft er een uitgesproken mening over. ‘Mooi of lelijk, dat heeft geen belang. Duiven die zondags vroeg op de klep vallen, dat zijn goede. En dan mogen ze nog zo lelijk zijn als ge wilt. Als ze een paar keer vroeg vliegen worden ze vanzelf steeds mooier. Dat is het enige wat je over goede duiven kunt zeggen. Al die keurders die zeggen een goede duif op de hand uit een koppel te kunnen halen, daar geloof ik niets van. Ik kan het in ieder geval niet. De enige manier om er achter te komen is door ze in te korven. Dan vertellen ze je het vanzelf.’

En natuurlijk kent Klak een anekdote om zijn mening kracht bij te zetten. ‘Voor de oorlog, ik dacht in ‘37, fokte mijn vader twee donkere doffers. De ene was een schone maar die andere was een hele gewone. Toen kwam ene Piet Schuurkes van Tilburg die moest nog een doffer hebben. Hij wilde die schone doffer kopen. ‘Nee’, zei mijn vader, ‘die doe ik niet weg’. ‘Ik geef U er honderd gulden voor’, zei Piet. Dat was in die tijd heel veel geld wat een gezin als het onze goed kon gebruiken. Maar mijn vader wilde hem toch niet weg doen. ‘Maar’, zei mijn vader, ‘zunne broer mag u voor 5 gulden mee nemen’. Piet keek nog eens naar die doffer maar hij wilde alleen die schone en de koop ging over.

Het jaar daarop ging mijn vader met die twee doffers spelen. Die schone donkere kwam iedere keer te laat. En die lelijkerd dat werd de beste die hij ooit gehad heeft. Zo sloegen Piet Schuurkes en mijn vader allebei finaal de plank mis. En mijn vader was toch echt geen snotneus want die was in ‘35, ‘37 en ‘38 hier in Reusel kampioen.’

Hoezeer het duivenspel ook vandaag de dag nog Jos begeesterd blijkt uit het verhaal van de B80-6835476. Deze ‘476/80’ is nog een zoon van de ‘Schouwman’ (B76-6371905) van de Gebroeders Janssen. De ‘Zoon Schouwman’ is steeds een vaste waarde geweest op het kweekhok van Jos en menigeen zou er graag een jong van gehad hebben. Toch zat de, ondanks zijn hoge leeftijd toen nog bevruchtende, ‘Zoon Schouwman’ twee jaar terug in hartje zomer plots als vrijgezel op het hok. Dit tot schrik en verbazing van neef Herman Borgmans die zich realiseerde dat ieder ei wat de ‘Zoon Schouwman’ bevruchtte, het laatste kon zijn. Toen hij zijn oom om opheldering vroeg was het antwoord even simpel als veelzeggend. ‘Op het vlieghok is een duivin achter gebleven. Omdat ik geerne nog wat met de doffer wil speulen, heb ik een duivin van het kweekhok gevat. Voor dit jaor heb ik al genoeg gekweekt!’


CRACKS

Over goede duiven heeft Jos de Klak nooit te klagen gehad. Hoewel ook hij als geen ander weet dat echte supercracks met een lantaarntje gezocht moeten worden. Mag iedere andere liefhebber van geluk spreken als hij eens in zijn leven zo’n supercrack op het hok krijgt, Jos de Klak heeft het genoegen mogen smaken een aantal van zulke fantastische duiven te kweken. Toeval? Wie het weet mag het zeggen.

Om te beginnen was daar natuurlijk de H47-266881. Deze doffer was op 7, 8 en 9 jarige leeftijd kampioensduif in Reusel. Hij heeft` in zijn glanzende carrière in totaal 108 prijzen verdiend. De ‘43-duif’ (H62-538343) uit het JONG KOPPEL was ook jarenlang een fenomeen op het hok ‘De Klak’. Jos bewaart dan ook fijne herinneringen aan dit duifje: ‘Dat was een duifje dat, als zij samen met honderd andere duiven hier boven het dorp verscheen, gegarandeerd de eerste won. Zo snel kwam ze altijd binnen. Ooit hing de was eens te drogen voor het hok. Ze dook er zo middenin. Ik dacht dat ze zich hartstikke dood zou vliegen. Als je de klep nog dicht had liggen als ze thuis kwam dan zou ze de ruiten eruit vliegen.’  De ‘43-duif’ werd in 1964 en 1966 kampioensduif en won in zes jaar tijd 72 prijzen waaronder 6x 1e, 6x 2e, 2x 3e, 1x 4e, 2x 5e, 3x 6e, 1x 7e, 2x 8e, enz..

Een enorme pointeur uit de jaren zeventig was een andere nazaat van het beroemde ‘JONG KOPPEL’: de Kras witpen van ’77 (NL77-2629598). Deze doffer uit de ‘Lichte van ‘72’ x de ‘11-duif uit Jong Koppel’ won 67 prijzen waaronder 5x 1e! Zijn mooiste overwinning was als jarige vanuit Danmartin in de afdeling Oost Brabant tegen 5.253 duiven.

Maar de beste duif die Jos de Klak naar eigen zeggen bezat was de ‘613’ (NL89-1775613). Nochtans kan niet worden gezegd dat Jos het van meet af aan in deze blauwe doffer zag zitten. Jos: ‘In 1990 had ik op de eerste vlucht 24 duiven mee. Ik weet niet meer hoeveelste getekende de ‘613’ was maar hij vloog slechts een prijske achterin. In de daarop volgende week kwamen de eitjes uit en dan moet je enkele duiven thuis houden om voor de jongen te zorgen. Uiteraard gaan de beste duiven dan mee en dus bleef de ‘613’ thuis. Hij is toen 14 dagen thuis gebleven. Daarna moest hij weer mee. Ik had er weer 24 mee en de ‘613’ stond als 24e getekende op de lijst. Vervolgens won hij de eerste prijs! Ik dacht: Tsjonge , tsjonge, dat is wat met jou! Ik zette hem daarna weer mee en hij zat iedere zondag aan de kop!’

En daarmee heeft Jos de Klak geen woord te veel gezegd. De ‘613’ werd drie keer kampioensduif en won in totaal 74 prijzen waarvan 48stuks 1:10. Zijn mooiste prijzen waren 1e Chantilly (2654 d.), 1e Creil (1029 d.), 1e Chantilly (506 d.), 1e Orleans (451 d.), 2e Chantilly (2200 d.), 2e Chantilly (1270 d.) en 2e Chantilly (1081 d.).


KWEKEN

Het vakmanschap van Jos de Klak staat er borg voor dat in alle hedendaagse ‘klakduiven’ het bloed van de cracks van vroeger ruimschoots vertegenwoordigd is. Wie de pedigree van een willekeurige ‘klakduif’ uitpluist heeft goede kans dat hij in die stamboom alle hiervoor genoemde cracks tegen komt. Want dat is het parool van De Klak: werken met een goede stam, verwijderde inteelt, veel spelen en streng selecteren.

Toch kan Jos de Klak niet zeggen dat bepaalde lijnen van zijn stam altijd maar weer goede duiven geven. En ook het predikaat ‘kweekduif’ is geen garantie voor succes. Jos: ‘Het ene jaar komen ze hier uit en het andere jaar komen ze daar uit. In ’97 ben ik veel jonge duiven verloren. Maar van de duiven die ik over heb gehouden kwamen er maar twee van het kweekhok en de rest kwam van het vlieghok.’ Overigens is het kweekhok van Jos gevuld met duiven die het na een goede vliegcarrière wat rustiger aan mogen gaan doen. Ook de duiven die bij de Gebroeders Janssen werden aangeschaft, werden op het kweekhok gehuisvest. In een enkel geval werd een jonge duif louter en alleen op zijn afstamming voor de kweek behouden.

Maar ruim vijftig jaar bij de kampioenen behoren, dat kan toch geen geluk zijn? ‘Natuurlijk zijn een goed hok en een stipte en goede verzorging van belang. En je moet veel spelen als ge goeie wilt kweken. Want als ge niet mee vliegt dan weet je niet meer welke de goede zijn. Maar om een crack te kweken heb je een dosis geluk nodig,’ aldus Jos die zijn beweringen staaft met twee sprekende voorbeelden.

‘Ik had destijds uit het bekende koppel ‘Vechter’ x ‘Witpenneke’ verschillende goede duiven maar er was er geen één bij zoals de ‘46’ van Verbart die 15 eerste prijzen won. Piet Verbart nam de ‘46’ als eitje mee. Als ik geweten had dat het zo’n crack zou worden had ik dat eitje nooit verkocht. Maar ja, er is nu eenmaal geen mens die in een duif kan kijken. Zo is de duivensport en zo zal die ook wel blijven.’

Als tweede voorbeeld noemt Klak zijn ‘613’. In het najaar van ’87 had Jos de Klak elf duiven over zitten. Tien daarvan werden alras aan die en gene verkocht. De elfde duif wilde niemand hebben vanwege zijn hoekige bouw. Niet voor niets werd hij de ‘Knook’ genoemd. Die winter bleef er een doffer van het hok weg. Zodoende mocht de ‘Knook’ het open gevallen plaatsje innemen. Uiteindelijk werd hij gekoppeld aan de ‘85-duif’. Die ‘85-duif’ was overigens niet de eerste de beste: zij won ooit het afdelingsconcours vanuit Chantilly tegen 4.940 duiven. Het eerste jong wat uit dit koppel kwam was de ‘613’.  ‘Ik heb met het koppel ‘Knook’ x ‘85-duif’ nog drie jaar gefokt. Maar er kwam niet één jong uit dat aan de ‘613’ kon tippen’, stelt Jos spijtig vast. Dat geldt ook voor de kinderen van de ‘613’. Geen van hen kon tot op heden, wat vliegprestaties betreft, in de voetsporen van hun illustere vader treden. Toch heeft Jos de erfelijke eigenschappen van de ‘613’ inmiddels door een belangrijk deel van zijn kolonie verweven. En dat blijkt wel resultaten op te leveren. Zo behaalde Jos in zijn vereniging zowel in 1998 als in 1999 het 1e duifkampioenschap jonge duiven met kleinkinderen (NL98-1539803 en NL99-1209621) van de ‘613’.


HET SPEL

De enige manier om er achter te komen of een duif een goede duif is, is door hem in te korven. Het favoriete spel van Jos van Limpt zijn altijd de midfondvluchten geweest. Dat was vroeger zo en dat is nog steeds zo. Ooit heeft hij daarbij wel eens weduwnaars aan de start gebracht maar echt een succes is dat nooit geworden. Dat zal ongetwijfeld alles te maken hebben met het feit dat Jos met nestspel altijd de weduwnaars van de concurrentie goed partij heeft kunnen geven. Daarmee was er geen noodzaak om zijn beste duiven gedurende de zomermaanden vrijgezel te maken.

Wie denkt dat Jos dan wel een zeer bijzondere vorm van het nestspel praktizeert, komt bedrogen uit. Alles zo eenvoudig mogelijk is hier het credo. Dat kan ook niet anders nu Jos vanwege zijn gezondheid de verzorging van zijn dieren voor een belangrijk deel moet overlaten aan hokverzorger Cor van Gestel. Uiteraard krijgen alle duiven de verplichte paramixo-enting. En op het eerste broedsel wordt een geel kuur gegeven. Daar blijft het bij. ‘Aan een zieke duif moet je dokteren, aan een gezonde niet’, is de wijsheid van Jos van Limpt.

Eind januari, begin februari worden de 64 duiven die Jos de Klak op zijn hoklijst heeft staan, gekoppeld. Zij blijven dan bij elkaar zitten tot eind september. In die tussen tijd brengen de duiven ieder broedsel groot. Dat betekent dus vijf of zes ronden per jaar. Jos: ‘Daarbij gaat alles zijn natuurlijke gang. Eieren bij leggen, jongen verkleinen, doffers of duivinnen weg vatten, dat is hier allemaal niet aan de orde. Ik geloof niet in dat soort trucjes. Het is best mogelijk dat een duif op de ene neststand rapper naar huis komt dan op de andere. Het belangrijkste is toch dat een duif gezond is. Als ze dat is kan ze op iedere stand prijs vliegen. In ’57 heb ik een keer op Orleans tien minuten los gevlogen met een duivin op jongen van bijna vier weken. Dat is voor de meeste liefhebbers toch geen ideale stand. Wat toen kon, kan nu nog steeds.’

Natuurlijk is ook bij Jos van Limpt het nestspel geëvolueerd. Want met ‘open hok’ en ‘volle bak’ gaat het tegenwoordig niet meer. Althans niet als je mee wilt doen voor de kopprijzen op de vitesse en midfond. Daarom krijgen de duiven het gehele jaar door een afgepaste hoeveelheid vliegmengeling. Hoeveel? Jos laat met een greep in de voederton moeiteloos zien wat de hoeveelheid voer is die de duiven verstrekt krijgen. Hij doet daar niet geheimzinnig over. Maar de juiste hoeveelheid is van verschillende factoren afhankelijk. Koud of warm weer, wel of geen jongen in het nest, een makkelijke of een zware vlucht. De juiste hoeveelheid is voor hem een kwestie van gevoel. Zou dat ‘gevoel’ het verschil zijn tussen een ‘kampioen’ en een ‘krabber’?

De duiven moeten twee keer per dag een gedwongen trainingsvlucht maken. De duiven zijn zo gedresseerd dat wanneer met een stokje op de vloer wordt getikt, alle duiven van het nest komen en naar buiten stuiven. Daar moeten zij gedurende een uur hun rondjes trekken terwijl de hokken afgesloten zijn want anders zijn ze razendsnel weer binnen. En wat als na drie of vier broedsels de snee er een beetje af begint te raken? ‘Daar doe ik helmaal niets aan’, aldus Jos. ‘Daar kun je namelijk niets aan doen. Ik denk dat dat voor nestduiven en weduwnaars gelijk is. Als de koek op is, is hij op.’

De hokken van Jos de Klak zijn al sinds mensenheugenis buitengewoon proper. Wie op de hokken wordt toegelaten hoeft niet bang te zijn dat hij in de mest loopt te trappen.

Voor de eerste vluchten wordt de vliegploeg bestaande uit 25 duiven (waaronder 12 jaarlingen) twee of drie keer op een afstand van enkele tientallen kilometers afgericht. In het tussen de vluchten door africhten van de duiven ziet Jos wel nut maar het is hem te bewerkelijk om ook daadwerkelijk te doen.

Dat men op die manier met nestduiven niet onder hoeft te doen voor weduwnaars bewees o.a. Klak’s NL98-1539805 in het afgelopen jaar. Deze kleinzoon van de NL87-8772063 (1991: 2e N.P.O.-concours La Souterraine tegen 7.630 duiven) won in de midfondclub Oost Brabant 8 prijzen op 9 mogelijkheden en werd daarmee 3e duifkampioen.

D.d.    Station          Prijs   Aantal duiven

09.05  Creil                  -           1189
16.05  Chantilly          27            931
23.05  Chantilly          50            859
30.05  Orleans         134            748 
06.06  Creil              173            594
12.06  Peronne         10             714
21.06  Etampes        10             678
27.06  Pnt.St.Max.    54             630
11.07  Pnt.St.Max.  180             588


JONGE DUIVENSPEL

Jos Klak is nooit een echte jonge duivenspecialist geweest. Kwestie van de jeugd vooral beschouwen als leerperiode. Toch heeft Jos altijd, met ups en downs, flink zijn prijzen gespeeld. Dat ook hij daarbij de ontwikkelingen in het jonge duivenspel niet onuitgeprobeerd liet, tekent de sportman Jos van Limpt. Dat begon uiteraard met het op nest spelen van de junioren.

Jos: ‘Je moet weten dat ik mijn jonge duiven eigenlijk nooit op nest krijg. Wat ik ook probeer. Veertig jaar geleden zei Adriaan Janssen al tegen mij: ‘Jos, als gij met oew jongen niet op de nest gaat speulen dan kunde straks niet meer mee. Daar moette rekening mee houden’. Ik zei hem toen: Ja maar Jaan, ik kan niet ene jonge duif op nest krijgen. Er legt er niet één een eitje.’ ‘Tja’, zei Adriaan toen tegen mij, ‘dat is oew eigen schuld. Voeiert ze maar eens wat hennep. Dan gaan ze wel leggen.’

Ik ging vervolgens hennep voederen maar het hielp allemaal niets. Maar in ’84 was de ‘Blauwe 544-duif’ de eerste jonge duif die een eitje legde. Ik gaf ze een nestje en ze zat een paar dagen te broeden op de eerste vlucht: mis. Dat kan natuurlijk. De tweede vlucht: weer mis. Maar de doffer was ze mee gepaard was bleef achter. Zo was dus de neststand ook weg. Ik gooide het nestje weg en speelde de ‘Blauwe 544-duif’ vervolgens vanaf het schapje. Ik heb haar toen nog 10 keer gezet en ze heeft 10 goede prijzen gespeeld.’ Waarmee maar gezegd wil zijn dat het hebben van een nest voor een jonge duif geen garantie is voor succes op de vluchten. Uiteraard is het doorlopen van de nestcyclus wel van invloed op de rui. En dat is tegenwoordig een belangrijke factor om nog met succes met de junioren te kunnen spelen. In die zin had Adriaan Janssen het veertig jaar geleden al bij het goede eind. Dat er een veel effectievere manier is om duiven in de veren te houden dat weten we inmiddels allemaal: verduisteren. Ook de jonge duiven van Jos van Limpt worden tegenwoordig verduisterd. En niet zonder resultaat. Zo werd hij in 1999 in zijn vereniging ‘De Luchtbode’ 1e aangewezen 2, 1e duifkampioen en 1e generaal duif bij de jonge duiven. Overigens kweekte Jos voor eigen gebruik in 1999 zestig jonge duiven. Daarvan werden er enkele verspeeld en werden er een paar verwijderd omdat ze niet gezond bleven. Zo had hij er bij de aanvang van de jonge duivenvluchten nog 39 over waarvan er uiteindelijk 34 de laatste vlucht haalden.


HET HOK

Jos is in 1956 op zijn huidige woonadres neer gestreken. In zijn achtertuin heeft hij verschillende uit hout opgetrokken hokken staan. In 1966 heeft Jos zijn huidige, twaalf meter lange, vlieghok op een schuur gebouwd. Het hok heeft een met pannen gedekte gebroken kap. De voorzijde van de kap is daarbij zo stijl dat de duiven daarop niet kunnen zitten. Om te bewerkstelligen dat de duiven na een vlucht direct op de valplank landen is er op de nokvorsten van het dak een hekwerkje geplaatst.

De verluchting van de hokken gebeurt via de gebruikelijke open strook in het plafond.

Jos: ‘Het vlieghok op de schuur is altijd een goed hok geweest maar dat hokske achter in de tuin is toch altijd beter geweest. Cor de Zeeuw kwam hier destijds nogal veel. Ooit was hij hier met een hokkenspecialist. Die vond het hok boven op de schuur een prima hok. We gingen beneden nog een paar duiven kijken en toen zij hij: je kunt toch wel aan de duiven zien dat dit hok niet zo goed is als het hok boven. Cor de Zeeuw zei toen: Als ge ooit nog eens de prijzen gaat spelen die Klak op dit hok verdiend heeft, dat zijt ge een hele grote. Er is niks bijzonders aan dat hok. De duiven aarden gewoon goed op dat hok.’



GULDEN REGELS

Dat Jos van Limpt-de Klak beduidend meer kijk op duiven heeft dan de meeste van ons, dat staat voor mij vast. Het is zoals zijn supporters het in de aanvang van dit artikel zeiden: wie goed luistert hoort hem uitspraken doen die van grote waarde kunnen zijn bij uitoefening van de duivensport. Dit artikel spreekt in dat opzicht voor zich zelf. Daarnaast vond ik in mijn aantekeningen een aantal opmerkingen die Jos zo terloops van ons gesprek lanceerde. Ieder van deze uitspraken geven stof tot nadenken. Ik zette daarom voor u op een rijtje:

·      De duivensport laat zich niet met geld dwingen; voor succes moet je hard werken.

·      Een droog hok en een goed soort duiven die in conditie zijn, dat is het voornaamste.

·      Ik doe aan inteelt maar verder dan de 3e graad ga ik niet, neef x nicht soms grootouder x kleinkind.

·      Ik dokter aan een zieke duif maar van een gezonde blijf ik met de medicijnpot af.

·      Een goeie atleet heeft niets extra’s nodig, alleen regelmaat.

·      Een duif moet hersens hebben, de rest is bijzaak.

·      Goed vliegen is mooi maar goed kweken is veel belangrijker.

·      Goede vliegers zijn later vaak de beste kwekers.

·      Bij slecht weer geef ik laatkomers graag clementie; bij echt duivenweer geldt echter geen excuus.

·      Een duif wordt, naar mate hij vaker kop vliegt, steeds mooier.

·      Op ieder hok worden meer slechte dan goede duiven gekweekt.

·      Goede duiven hebben altijd hun zondagse pak aan.

·      Gezond voer is niet hetzelfde als duur voer.

·      Nestduiven moet je trainen als weduwnaars.


EPILOOG

Het leven van Jos de Klak heeft altijd in het teken van de duivensport gestaan. Zijn vrouw Marie zei altijd: ‘De duiven zijn één, ik ben twee. Bij alles wat er in huize Van Limpt passeerde werd eerst gekeken of de duiven er onder zouden lijden. Want de filosofie van Jos is: als je, ongeacht in welke sport, je niet voor de volle honderd procent inzet dan zul je nooit de top bereiken. Zo was dat vroeger en zo is het nu nog. Jos: ‘Als ik nu twintig jaar zou zijn en weer de ambitie zou hebben om de beste te zijn dan zou ik mijn leven net zo inrichten als ik de afgelopen vijftig jaar heb gedaan. Op een andere manier is de top niet te bereiken!’

Niettemin kijkt Jos inmiddels toch een tikje anders naar de duivensport. De leeftijd en de fragiele gezondheid zijn daar debet aan.  ‘Zolang ik kan zal ik proberen op de midfond kampioen te worden. De andere vluchten interesseren mij minder. Als de duiven goed komen dan ben ik daar nog net zo blij mee als vroeger. Maar als ik eens een keer slecht speel dan lig ik daar niet meer van wakker. En dat was vroeger wel anders.’

Over belangstelling voor zijn duiven en prestaties heeft Jos de Klak nooit te klagen gehad. Zijn soort is verspreid over alle continenten. Zijn vrouw Marie schonk vele duizenden liters koffie. En soms zaten er wel twintig bezoekers tegelijk aan de keukentafel. Vandaag de dag zet Jos niet alles meer aan de kant voor de duiven. Hij trekt er, zolang het nog kan, liever met Marie op uit dan dat hij duivenmelkers ontvangt.

Iedere vorm van publiciteit levert weer nieuwe belangstelling voor Jos en zijn duiven op. Ieder interview levert weer mensen op die onaangekondigd en ongevraagd op bezoek komen. Vandaar dat Jos mij uitdrukkelijk vroeg in dit verhaal te vermelden dat hij al dat bezoek niet meer kan ontvangen. Ik voldoe graag aan dit verzoek omdat ik weet dat het niet wordt ingegeven door ongastvrijheid maar door zelf bescherming. Daarom, beste lezers, beteugel uw nieuwsgierigheid, respecteer Jos’ privacy en beperk u tot het lezen van deze reportage. Mochten er nog vragen over blijven met betrekking tot de sportbeoefening van Jos Klak, richt deze vragen dan aan de redactie. Wij zullen ze aan Jos voor leggen en er later in dit Orgaan op terug komen.




* * * * *

Lezersvragen beantwoordt door

Jos van Limpt-de Klak (deel II)


Een waterig zonnetje speelt verstoppertje met aan het zwerk voortjakkerende grote, grijze wolken. De bleke zonnenstralen veraangenamen de windstoten die mijn automobiel proberen te vangen. Als ik de grote rivieren passeer krijgen de wolken meer en meer de overhand. Het kan niet lang meer duren of ook Pluvius zal zich laten gelden. Ik besluit, voor het zover is, nog even te genieten van het rustieke Brabantse landschap. Ik verlaat de autobaan en Diessen en Netersel tonen mij hun gemoedelijke rust. Tussendoor liggen de akkers er verlaten bij. Een verdwaald paard staat met een gebogen hoofd met de achterhand in de wind. Op de Grote Beerze zie ik zelfs wat schuimkopjes komen. Een kraai plukt aan een kadaver. Van het ene op het andere moment kom ik van een landschap waar de tijd lijkt stil te staan midden in het jaar 2000. Het centrum van Reusel krijgt de laatste jaren meer en meer futuristisch aanzicht. Mooi? ‘t Is in ieder geval de vooruitgang en die is niet tegen te houden. Ik snel naar mijn reisdoel: de woonstee van Jos van Limpt-de Klak.



OUVERTURE

Ik tref Jos in de serre. Hij zit in zijn ‘praatstoel’. Letterlijk en figuurlijk. Af en toe dwaalt zijn blik naar buiten. De wind giert rond zijn hokken en jaagt de van regen zwangere wolken naar het oosten weg. De zon heeft zich inmiddels volledig verstopt. Binnen is het echter aangenaam. Een prima ambiance om maar weer eens over de duiven te klappen. Jos is content met de reportage zoals die in nummer 4 werd afgedrukt. Op voorhand had hij er niet veel fiducie in maar nu het er toch van gekomen is, is hij er tevreden mee. Zijn grootste angst was weer overspoeld te worden door liefhebbers die het voorzien hebben op een ‘jonkie’ of die alleen maar willen kunnen zeggen dat ze bij ‘De Klak’ zijn geweest. Liefst met foto erbij. Dat is gelukkig alleszins meegevallen. Natuurlijk hebben er een paar mensen gebeld maar dat waren vooral oude bekenden. ‘Louis Janssen van Arendonk was de eerste die belde’, zo meldt Jos. ‘Als ik een hele goede dag heb dan moet ik weer eens bij dat manneke gaan buurten. Maar ja, ik ben tegenwoordig al blij als ik mijn stoel niet uit hoef.’

Bij de redactie en scribent dezes kwamen verschillende (positieve) reacties binnen. Een lezer meldde uit de reportage een wijze les te hebben geleerd. ‘Goede duiven hebben altijd hun zondagse pak aan’ zo las hij. ‘Dat is een wijsheid die grote betekenis heeft maar waar wij ons te weinig rekenschap van geven. Te snel zijn we geneigd om dingen door de vingers te zien en dat vertaald zich in het uiterlijk van een duif. Zelden blijken dat goede duiven te zijn’ aldus deze lezer.

Daarnaast waren er een aantal lezers die naar aanleiding van de reportage nog vragen hadden. Het doel van het uitstapje naar de Acht Zaligheden was dan ook om deze vragen aan Jos Klak voor te leggen. ‘Awel, vragen moeten worden beantwoord. Wat ik weet dat zal ik vertellen. Maar wat ik niet weet daar kan ik niets over zeggen’, aldus Jos. We hadden niet anders verwacht.



DE LEZERSVRAGEN

W.S. te A. speelt zijn oude duiven op nest. Het lukt hem echter niet om met name de duivinnen langer dan een minuut of tien per dag te laten trainen. Zijn logische vraag is dan ook: Hoe vaak  per dag en hoe lang trainen de nestduiven van Jos Klak?  Jos hierover:

‘In het voorjaar trainen de duiven maar één keer per dag. Het weer is dan nog te slecht. In het begin trainen ze dan minder dan een uur. Je moet niet vergeten dat alle duiven bij mij naar buiten moeten. De duiven zijn zo gedresseerd dat als ik met een stokje op de vloer van het hok tik alle duiven naar buiten stormen. Ook de duiven die op nest zitten. Dan liggen dus alle eieren en jongen bloot en koelen af. Vandaar dat ze in het begin minder dan een uur vliegen. Maar zodra het weer beter wordt vliegen ze zowel ‘s morgens als ‘s avonds een uur.

De duiven vliegen dan onafgebroken. In het begin doen ze dat natuurlijk niet vanzelf want vooral de duivinnen willen graag naar hun nestje. Ik dwing ze echter om te vliegen. Ik heb dat al om veel manieren geprobeerd. Bijvoorbeeld met een alarmpistool maar dat is niet zo prettig voor de buren. Ik heb het ook gedaan met eikels die ik met een katapult op het dak schoot. Er zijn hier op die manier heel wat eikels verbruikt. Het makkelijkst is toch gewoon met een voetbal. Zodra de duiven landen schop ik een voetbal op de kooi. Dat hoef ik maar een dag of veertien te doen, daarna weten de duiven het. Als ze goed in orde zijn vliegen de duiven daarna uit zichzelf gemakkelijk een uur maar je moet het ze wel leren.

Je kunt duiven meer leren dan je denkt. Vroeger, toen er nog veel bezoek hier over de vloer kwam, had ik de duiven geleerd om in de broedbakken te gaan zitten als ik met volk op het hok kwam. Zo hield ik gemakkelijk het overzicht.’



Ook de heren J.v.R. te B.  en M.K. te U. willen meer weten over het nestspel van Jos van Limpt. Zij verbazen zich er over dat Jos nooit truukjes toepast zoals het onderschuiven van een jong of extra eieren en het wegnemen van de partner. Waar halen uw  nestduiven de motivatie vandaan om snel naar huis te komen? Jos Klak hoeft over het antwoord niet na te denken. De vraag is hem waarschijnlijk al dikwijls gesteld.

‘Ik hou inderdaad niet van dat soort dingen. Ik heb het ooit wel eens gedaan maar het heeft mij nooit succes opgeleverd. Waar ze dan hun motivatie vandaan halen? Ik denk dat ze gewoon graag thuis zijn en de gezondheid is ook belangrijk. Natuurlijk zal ook de neststand een rol spelen maar een goede duif komt op iedere neststand. Ik heb regelmatig nestduiven die tien, twaalf prijzen per seizoen winnen. Mijn ‘613’ won prijs als hij zat te broeden, als hij jongen had maar ook als hij achter zijn duivin liep te jagen. Hij was er zondag na zondag en dikwijls aan de kop.

Als het goed is dan zijn duif en melker één. Wanneer die inderdaad één zijn dan zul je geen ongemotiveerde duiven hebben.  Veel mensen gaan er vanuit dat weduwnaars vlug naar huis komen voor hun duivin. Ik hoor echter ook liefhebbers zeggen, en dat zijn dikwijls niet de minsten, dat de doffers veel gekker zijn op hen dan op de duivin. Ik denk dat dat iets is wat veel mensen onderschatten.’



Janssen/Klakduiven zijn toch vooral vitesse/midfondduiven, zo stelt J.U. uit L.. In de reportage werd echter gewag gemaakt van de NL87-8772063 die bij Jos Klak de 2e prijs van het N.P.O.-concours La Souterraine (630 km.) won. Verder refereert hij aan de prestaties van de Gebroeders Borgmans die met hetzelfde soort duiven zijn uitgegroeid tot echte specialisten op de eendaagse fond. Hij vraagt zich af of de Janssen/Klakduiven meer kunnen dan algemeen wordt aangenomen of dat het vooral een kwestie van de duiven voorbereiden is op dergelijke vluchten. Jos kijkt wat bedachtzaam als ik hem de vraag stel. Hij is tenslotte zelf eerst en vooral midfondspeler.

‘De duif die ooit bij Sjef van Wanrooij de 1e nationaal uit Barcelona won, dat was een halve Klak. Sjef kocht de vader van die duif bij een liefhebber die hem hier rechtstreeks had gehaald. Later is Sjef hier zelf nog geweest omdat hij de ouders van die duif wilde kopen.

Mijn gedachte is dat fondras niet bestaat, net zo min als een vitesseras. Er bestaan wel fondduiven en vitesseduiven. Die komen onder alle rassen voor. Ooit zat ik met Janus van der Wegen van Steenbergen in een forum. Van der Wegen vertelde dat hij graag duiven door hield die twee, drie dagen te laat van een vlucht thuis kwamen. Vaak werden dergelijke duiven, zo vertelde hij, op de overnachtvluchten zijn besten! Bij mijn gaan dergelijke landlopers er subiet uit. Dat is het verschil. Het is maar net hoe ge daar mee omgaat. Ooit, toen was Harrie van Mierden hier nog verzorger, hebben we mee gedaan aan St. Vincent. Harrie wilde dat graag en ik heb toen gezegd: ge doet maar als ik er maar niet op hoef te wachten. Want ik heb daar geen geduld voor. Hoe laat we toen gedraaid hebben weet ik niet meer maar we speelden hier in Reusel de 2e prijs. Ik weet dus zeker dat er voor de fond goede duiven tussen zitten maar je moet het per duif bekijken.’



G.L. te U. wil graag weten of Jos van Limpt aan zijn duiven voedingssupplementen verstrekt als biergist, vitamines, groenten en creatine. Wie Jos kent weet dat hij daar niet geheimzinnig over doet. Openhartig legt hij nog eens uit wat er zoal aan de duiven verstrekt wordt.

‘De duiven krijgen op het eerste broed een kuur tegen het geel. Die kuur wordt later in het seizoen niet meer herhaald. Verder wordt er aan de duiven niet gedokterd. De duiven krijgen voorts, als zij jongen hebben, wat kunstkorrels door het voer. Groenten krijgen ze nooit. Vroeger ging ik, zodra de duiven thuis waren, naar de vuilnisbelt. Daar sneed ik dan dovenetels. Van die netels trok ik met kokend water thee die de duiven op maandag kregen. Dat hebben ze heel lang gehad. Maar toen de vuilnisbelt weg ging hebben de duiven nooit meer dovennetelthee gehad. Ook kregen de duiven ooit geroosterd brood met levertraan. Dat lustten ze graag! Ook heb ik een periode gehad dat de duiven bij thuiskomst van een vlucht honing in het drinkwater kregen. De laatste vijftien jaar hebben de duiven echter niet anders gehad dan voer en water. Ik ben daar in de loop der jaren wel wat gemakkelijker in geworden. En ik kan niet zeggen dat ik er slechter door ben gaan spelen. 

Nadat ik afgelopen najaar in het ziekenhuis heb gelegen ben ik geruime tijd niet bij de duiven geweest. Toen ik weer voor het eerst op de kooi kwam zei ik tegen Cor van Gestel, de verzorger: ‘Wat zien die duiven er verrektes goed uit. Wat geeft gij die duiven?’ Toen bleek dat Cor ze zo nu en dan wat biergist over het voer had gegeven. Dat zal dus wel niet slecht zijn voor de beesten. Maar voor de rest komt er hier niet anders te pas dan voer en schoon water. Beter is er niet voor de duiven en goedkoper ook niet!’



De duiven van  A.V. te M. gaan regelmatig naar het ‘veld’. Hij is bang dat dit veldvliegen schadelijk is voor de gezondheid van de duiven. Zijn logische vraag is dan ook: Weet u een manier om de duiven dat veldvliegen af te leren? Jos moet op deze vraag het antwoord schuldig blijven:

‘Mijn duiven gaan ook altijd naar het land. Vooral als ze met kleine jongen liggen. Ik heb al van alles geprobeerd om dat tegen te gaan. Bijvoorbeeld voederen voor het los laten. Maar helpen deed het niet. Alleen als ge de duiven ‘s avonds tegen het schemeren los laat dan willen ze nog wel bij het hok blijven. Nu moet ik wel zeggen dat mijn duiven van zodra de oude duivenvluchten zijn afgelopen, open hok krijgen. Ze vinden dan het veld als vanzelf en de ouderen leren het de jongeren. Ik denk dat het wel scheelt als je het hele jaar door de duiven direct binnen roept als ze zijn uitgevlogen. Dan zullen ze waarschijnlijk het veld minder snel ontdekken.

Overigens geloof ik niet dat het veld op de dag van vandaag nog zoveel kwaad kan. Dat was vroeger anders, toen werd er door de boeren veel meer gif gebruikt dan nu. Ooit had ik eens een meningsverschil met Dokter Stam. Hij adviseerde mij om de duiven te enten tegen paratyfus. Ik wilde daar niet van weten omdat ik wist van een liefhebber wiens beste kweekduif  na een enting onvruchtbaar bleek. Een paar maanden later trof ik twee duiven dood aan op het hok en een paar andere zaten lelijk te kijken. Ik dacht direct aan paratyfus en vreede het ergste. Ik bracht die dode en zieke duiven naar Stam. Die maakte de dode duiven open en onderzocht ze. Zijn conclusie was dat het geen paratyfus was. Ik haalde opgelucht adem en feliciteerde mijzelf. De dokter wees mij echter prompt terecht. ‘Van paratyfus had ik uw zieke duiven nog kunnen genezen, van dit niet!’ De duiven bleken als gevolg van het eten van landbouwgif van binnen helemaal verbrand te zijn. Dat was een gevoelig verlies.’



N.W. te L. vraagt zich af of de hokken van Jos de Klak verwarmt zijn? Jos:

‘Onder het hok op de schuur loopt onder de vloer een verwarmingsbuis. Die verwarmt het hok niet maar je kunt wel het effect van zo’n buis merken. Natuurlijk is de vloer van het hok daardoor droog waardoor het in het hele hok beter aanvoelt. Bovendien zorgt dit buisje ervoor dat het drinkwater van de duiven ‘s winters minder gauw bevriest. Ik moet wel zeggen dat als het een graad of zeven onder nul is dan ligt ook in mijn hok het ijs in de drinkbak.’



De ‘Zoon Schouwman’ (B80-6835476) bevruchtte zoals u in de reportage kon lezen tot op hoge leeftijd (18 jaar). G.R. te N. wil weten of het bevruchten op een dergelijke hoge leeftijd op het hok van Jos de Klak uitzondering of regel is en wat hij  er eventueel aan doet om het bevruchten te bevorderen.

‘De ‘Zoon Schouwman’ was echt geen uitzondering. De ‘Knook van ‘87’ (PG: NL87-2542927) geeft nog volop jongen. De ‘Blauw 85-duif’ (PG: NL88-8810985), dat is dan een duivin, die heeft nu toch ook weer twee mooie eitjes gelegd. Maar gemiddeld genomen stoppen de meeste doffers met bevruchten rond het tiende levensjaar.

Het wil nog wel eens helpen als je zo’n oude duif apart op een hok zet. Neem nu de kleinzoon van ‘Marietje’ (PG: NL82-1324845). Ik heb van 1999 nog een jong van hem lopen. Toen was hij dus 17 jaar. Maar een paar jaar geleden waren de eerste twee ronden eieren onbevrucht. Ik heb hem toen van het kweekhok gevat en samen met zijn duivin apart op een hok gegooid. En dan blijkt dat als zo’n oude baas niet gestoord wordt bij het treden van zijn duivin, hij nog heel lang zijn eieren kan bevruchten. Maar als het op is, is het op. Dan doe ik er ook niets meer aan.’



Bijzonder nieuwsgierig is de heer H.W. uit L. naar het feit of Jos van Limpt voor het samenstellen van de koppels nog een bepaalde systematiek volgt. De Klak is er klip en klaar in: vroeger maakte hij daar meer een punt van dan tegenwoordig

‘Vroeger kreeg iedere doffer ieder jaar weer een andere duivin. Ik deed dat om te voorkomen dat ik al te snel zou worden gedwongen om nauw in te gaan telen. Ik heb niet te veel duiven en als je dan nauw gaat intelen loop je al snel een doodlopende weg in. Ik heb er altijd de voorkeur aan gegeven om aan verwijderde inteelt te doen en dat lukt niet als je teveel broers en zusters hebt lopen. Ik moet zeggen dat ik de laatste jaren goed kwekende koppels samen heb laten zitten. Dat is bij het koppelen toch wel gemakkelijk. Naar zulke koppels heb je dan geen omkijken.

Vroeger keek ik ook nog naar dit en ik keek naar dat maar dat doe ik de laatste drie jaren ook niet meer. Ik zou nooit graag twee gelijke modellen op elkaar gezet hebben. Of gelijke oogkleuren. Zo hield ik in ieder geval variëteit in mijn stam maar of het ook van belang was voor het vliegen? Wie ben ik om dat te beweren? De laatste jaren heb ik de duiven vooral op afstamming gekoppeld. Zodanig dat er niet te nauw wordt ingeteeld.’



EPILOOG

Terwijl de regen inmiddels tegen de serre klettert, beent verzorger Cor van Gestel de plaats op. Met de pet voor de ogen, het hoofd tussen de schouders en de handen diep in de zakken probeert hij zich te wapenen tegen de vlagerige wind en de gestaag neer vallende regen. Fluks verdwijnt hij in de hokken. Het tweede bedrijf van het dagelijkse verzorgingsritueel neemt een aanvang. Regelmaat is er dankzij deze begeesterde liefhebber ook op de hokken van Jos Klak. Tien jaar hanteert hij inmiddels de krabber op de hokken van Jos. Een paar dagen na het overlijden van Jos vorige verzorger, Harrie van Mierden, klopte Cor aan met de vraag of hij kon helpen met de verzorging. De grootmeester is hem er nog steeds dankbaar voor: ‘Als ik de Borgmannen en Cor van Gestel niet had dan was het voor mij gedaan met de sport. Dan zou ik ermee stoppen. Want als ik niet meer mee kan vliegen dan gaan de duiven de deur uit.’ Het is voor de duivensport te hopen dat dat moment nog op zich laat wachten. In ieder geval zijn de concurrenten van Jos gewaarschuwd. Uit zijn stem klonk die ouderwetse sportieve strijdlust….
This page created with Cool Page.  Click to get your own FREE copy of Cool Page!
Publicatie december 1998
Publicatie januari 2000
Publicatie februari 2000
Jos van Limpt-de Klak