Franciscus Verburch (Pastoor)

Franciscus Verburch werd op 28 december 1616 in Berkel geboren. Hij was de oudste uit een gezin van zes kinderen. Omstreeks 1630 begon pastoor Willem Huijgensz. in Berkel zijn missioneringswerk.
Hij wist daar een bloeiende katholieke gemeenschap op te bouwen, wat o.a. mogelijk was omdat de ambachtsvrouwe, Francoise van Oldenbarneveld (dochter van Johan) katholiek was. De leden van de familie Verburch waren trouwe volgelingen van Willem Huijgensz. Frank Verburch doet regelmatig dienst als klopbroer voor pastoor Willem Huijgensz. Drie van zijn zusters fungeren in Berkel als "klopjes" (klopzusters).

Door toedoen van Willem Hyijgensz., die voor hem in 1637 bij het Vicariaat Utrecht een studiebeurs aanvraagt, gaat Frank Verburch voor priester studeren. Eerst bij de Jezuiten in Emmerik en later aan de Universiteit van Keulen. Het is niet bekend waar en wanneer hij tot priester is gewijd, maar het moet voor 4 januari 1647 geweest zijn, want dan doopt hij in Berkel een kind. Op 28 december 1647 wordt hij benoemd tot pastoor van het Westland. Volgens de la Torre, de toenmalig apostolisch vicaris, zou hij de eerste jaren van zijn pastoraat in Naaldwijk hebben gewoond. Omstreeks 1655 is hij naar Poeldijk gegaan, waar hij zijn hoofdstatie vestigde. Mogelijk koos Verburch voor Poeldijk, omdat zich daar geen Hervormde kerk en predikant bevond. In Poeldijk betrok hij een pastorie en kon hij voor het houden van kerkdiensten terecht op de zolder van een oude schuur.

Gedurende zijn gehele pastoraat in Poeldijk, heeft Verburch voor het houden van kerkdiensten van deze zolder gebruik moeten maken. Deze armoedige kerkelijke behuizing staat in schril contrast, met de verzameling gebouwen en de grote tuin die rondom zijn pastorie ontstond. Daar bevond zich een gemeenschap van klopbroers en klopzusters. Zij hielpen Verburch bij zijn geestelijke arbeid in de uitgestrekte parochie. De grote tuin die bij het pastoriecomplex hoorde, is er waarschijnlijk de oorzaak van dat men Verburch in verband heeft gebracht met het ontstaan van de Westlandse tuinbouw. De invoering van de druiventeelt wordt wel aan hem toegeschreven. Het is bekend dat er zich op de pastorietuin muren bevonden, waarachter de fruitbomen beschutting vonden tegen de wind. Er wordt echter nergens expliciet vermeld dat er op die tuin druiven geteeld zijn. Er is daarom geen enkel bewijs voor Verburchs betrokkenheid bij de invoering. Ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat er sprake is van mythevorming rondom zijn persoon. En dat die mythevorming tot doel had om de katholieke emancipatie in het Westland te bevorderen. Het hebben van een pastorietuin maakte Verburch niet uniek, in Schipluiden en Rijswijk vinden we er in de 17e eeuw in ieder geval ook een. En voor Wateringen en Maasland is het niet onwaarschijnlijk te achten, dat daar bij de pastorie en de schuilkerk ook een tuin te vinden was. Nadat Verburch in 1647 Pastoor van het Westland geworden was, heeft hij waarschijnlijk in de eerste jaren een prekenboek samengesteld. Met de hand schreef hij op losse bladen een groot aantal preken in het Latijn, die hij tijdens de Heilige mis op kon lezen. Deze losbladige preken werden samengebonden tot een boek, zodat hij ze gemakkelijk op zijn missietochten kon meenemen. Deze preken kon hij dus steeds opnieuw gebruiken. Om nu echter te voorkomen dat hij op zijn missiereizen, waarbij hij tientallen boerderijen bezocht, op een adres eenzelfde preek zou houden, schreef hij inde kantlijn van de preek waar en wanneer hij die preek gehouden had. Dit prekenboek is bewaard gebleven, zodat we ons aan de hand van die bijschrijvingen een mooi beeld kunnen vormen van het aantal en de situering van de plaatsen waar schuilkerkdiensten gehouden werden. Bij de toevoeging in de kantlijn worden vooral de jaren 1648 en 1649 genoemd. Verburch is toen bij het begin van zijn pastorale werk vrij actief geweest, omdat hij zijn parochie nog moest opbouwen. Hij heeft in die beginperiode waarschijnlijk erg veel huizen bezocht i.v.m. de veiligheid. Hij kon beter op stap gaan om te preken voor een boerenfamilie, dan dat de mensen in groepen naar hem trokken. Dat viel minder op.

Nadat Verburch zo zijn parochie had opgebouwd en in de kring van gelovigen bekend was geworden, kon hij het aantal lokaties waar hij kerkdiensten hield, beperkt worden omdat de gelovige nu bekend waren met de organisatie en onopvallend zo'n schuilkerk konden bezoeken. Het aantal verschillende lokaties dat in de eerste jaren van Verburchs pastoraat wordt genoemd is vrij groot. Na verloop van tijd wordt dat aantal steeds minder en zien we dat een klein aantal lokaties steeds vaker genoemd gaan worden. De boerderijen die als gevolg van dit proces als min of meer permanente schuilkerk uit de bus komen zijn: De Lage Woning aan de Zwet in Schipluiden die 23 keer genoemd wordt. De Zwartendijk in Monster, 21 keer genoemd. Het Uithof in Poeldijk aan de Wateringseweg, 20 keer genoemd. De Lage Doortoge in Honselersdijk, 17 keer genoemd. Als Verburch zich eenmaal in Poeldijk gevestigd heeft, ontwikkelt de schuilkerk die hij daar heeft zich tot parochiekerk. De schuilkerk aan de Zwartendijk in Monster gaat dan als bijkerk fungeren.

Na 1660 komt het nog maar sporadisch voor dat hij ergens anders een kerkdienst houdt, meestal alleen op bijzondere feestdagen. Verburch is zeer lang pastoor geweest van het Westland. Het prekenboek is hij al die tijd waarschijnlijk blijven gebruiken. Het is opvallend dat er dan na 1700 weer opnieuw op grote schaal bijschrijvingen in de kantlijn voorkomen. Het is bekend dat Verburch de laatste jaren van zijn leven een slechte gezondheid had en zo goed als blind was. Het is daarom niet aannemelijk dat hij in die jaren tijdens kerkdiensten zijn prekenboek heeft gebruikt. Wat meer voor de hand ligt is dat de kapelaan die hem terzijde stond en ook zijn opvolger zou worden, Joan Bijlevelt, dat prekenboek heeft gebruikt en net als Verburch in zijn beginperiode bijhield, waar hij welke preek hield. Tijdens zijn pastoraat raakt Verburch ook nog verwikkelt in de Jansenistische strubbelingen. In 1686 leek het er nl. op dat er een Jansenist tot apostolisch vicaris zou worden benoemd.Verburch stond inmiddels sterk onder invloed van Adriaan van Wijck. Deze van Wijck was een zeer fanatieke Jansenistenjager. Hij begon tesamen met Verburch een aktie om de al genoemde benoeming te voorkomen. In 1688 begon Verburch echter ziekelijk te worden en had hij eigenlijk hulp nodig. Men probeerde daarom een kapelaan aangesteld te krijgen, op aandrang van Van Wijck met recht op opvolging. De benoeming van een kapelaan werd nu de inzet van de strijd tussen de Jansenisten en de op Rome ge&oumlrienteerden. Uiteindelijk werd er een kapelaan aan Poeldijk toegewezen, maar die kon niet op de goedkeuring van Van Wijck rekenen, zodat die door Poeldijk geweigerd werd. Het gevolg hiervan was dat er toen de eerste jaren helemaal geen kapelaan kwam, zodat Verburch met zijn slechte gezondheid het zware apostolisch werk alleen moest opknappen. Verburch zelf is in de hele kwestie niet erg doortastend opgetreden. Hij was op de ene of andere manier absoluut niet tegen Van Wijck opgewassen en liet zich door hem manipuleren. Met de grootste moeite kon men pas in 1705 een kapelaan met recht van opvolging aangestelt krijgen. Op 1 januari 1708 kwam Verburch te overlijden, waarna hij opgevolgd werd door de al genoemde Bijlevelt.


Bron: Gemeente archief Monster,
Historie van Monster, Poeldijk en Ter Hijde bestaande uit een aantal korte beschrijvingen (Ton Immerzeel)