Daar zeg je wel u tegen:

Onderzoek naar expliciet gebruik van ‘u’ en ‘jij’ in de Nederlandse samenleving met een gender approach

 

 


Taal & Gender

Jacomine Nortier

Werkgroep 1 (expliciet)

Roos Brekelmans,  0419451

Jolanda van der Feest, 0419508

Herziene Versie

13 februari 2006

 

 

 

Inhoudsopgave

 

Inleiding                                                                                                    3

Theoretisch kader                                                                                      4

Onderzoeksvraag en verwachtingen                                                            6

Methode van het onderzoek                                                                       7

Presentatie van de resultaten                                                                       9

Interpretatie van de resultaten                                                                     13

Conclusie en terugblik                                                                                19

Bibliografie                                                                                                20

§        Bijlage I                                                                                 

§        Bijlage II

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inleiding

Trouwe en tevreden IKEA-klanten lopen regelmatig aanbiedingen tegen het lijf waar ze u tegen zeggen. De vraag is of de Zweedse winkelketen weet wat daarmee bedoeld wordt, want IKEA is hét voorbeeld van een warenhuis dat de klant aanspreekt met ‘je’ – iets dat niet iedereen kan waarderen. In Frankrijk spreekt IKEA klanten overigens wél aan met ‘vous’! Zweden spant de kroon wanneer het over informeel taalgebruik gaat: de Zweden spreken iedereen aan met de ‘jij’-vorm, behalve de leden van het koningshuis, die worden met hun titel aangesproken. Omdat de Zweden de beleefdheidsvorm missen, proberen zij het vaak te omzeilen. Ze zeggen tegen een vreemde dan bijvoorbeeld niet ‘Wil je thee?’, maar ‘Zou een kop thee niet lekker zijn?’. Twijfel over dit soort keuzes bestaat ook in Nederland, en kan het mensen soms behoorlijk lastig maken. Wat zijn eigenlijk motieven om iemand te tutoyeren of te vousvoyeren?

Leeftijdsverschil is altijd een belangrijke drijfveer geweest om iemand te vousvoyeren. Het lijkt normaal om iemand met een hogere leeftijd ‘u’ te noemen, en andersom door die oudere persoon ‘jij’ genoemd te worden. Maar leeftijd is zeker niet de enige drijfveer. Dit is niet in de laatste plaats te zien aan de verschuiving van de aanspreekvorm ‘u’ naar ‘jij’ in gesprekken tussen ouders en hun kinderen; steeds vaker tutoyeren kinderen hun ouders, ondanks het leeftijdsverschil. Zelfs tegen grootouders zeggen kleinkinderen steeds vaker ‘jij’. Zo zijn er nog vele andere ideeën over wanneer er getutoyeerd of gevousvoyeerd zou moeten worden. Kan leeftijd überhaupt wel een drijfveer genoemd worden?

Een interessante en op het moment nog niet voldoende belichte invalshoek bij het onderzoeken van het gevarieerde gebruik van ‘u’ en ‘jij’ is gender. Er bestaan theorieën die menen dat vrouwen vaak taalgebruik hanteren dat dichter bij de standaardtaal ligt dan het taalgebruik van mannen. Dit zou betekenen dat vrouwen vaker vousvoyeren, omdat dit beleefder is en zo ook dichter bij de standaardtaal ligt. Maar is dit eigenlijk wel zo? Hebben mannen meer de neiging om ‘jij’ te zeggen dan ‘u’, en mocht dit zo zijn: waardoor komt dit? Telt gender mee als variabele die invloed heeft op de keuze tussen ‘u’ en ‘jij’? Op een aantal van deze vragen, die wij verderop in dit onderzoeksverslag verder zullen specificeren, hebben wij geprobeerd een antwoord te vinden. De nadruk van de bespreking van onze resultaten zal liggen op het onderscheid tussen mannen en vrouwen. Daarom zullen we ook niet constant de verschillen tussen jong en oud aanhalen, als deze niet opvallend zijn.
            In dit onderzoeksverslag beginnen wij met het formuleren van een theoretisch kader, waarin wij uitweiden over de relevante theorieën die wij hebben gebruikt voor ons onderzoek. We bespreken enkele theorieën die wij als achtergrondinformatie hebben gebruikt, en ook de theorieën die ons hebben gebracht tot onze onderzoeksvragen, die wij in het hoofdstuk dat volgt op het theoretische kader hebben beschreven, waar wij tevens onze verwachtingen over de resultaten bespreken.

Vervolgens beschrijven we de opzet van ons onderzoek, de methode die we hebben gebruikt om de juiste informatie te verkrijgen en welke selectiecriteria wij hebben gehanteerd bij het vinden van proefpersonen. Hieruit volgt de presentatie van de door ons verkregen resultaten en de interpretatie daarvan.
            Tenslotte trekken wij conclusies uit onze resultaten, en leiden we deze conclusies terug tot antwoorden op de onderzoeksvragen die we bij aanvang opgesteld hadden, en we sluiten af met een nawoord. Als bijlage (I) hebben wij onder andere een exemplaar van de door ons gebruikte enquête toegevoegd.

            Wij hopen dat we door dit onderzoek een bijdrage hebben kunnen leveren aan het onderzoek naar aanspreekvormen met gender als uitgangspunt.

Theoretisch kader

 

In 1960 schrijven Brown en Gilman hun artikel over aanspreekvormen. Dit is het eerste belangrijke werk dat over dit onderwerp is verschenen. Brown en Gilman bespreken in hun artikel de samenhang tussen het gebruikte voornaamwoord en de objectieve relatie tussen de spreker en de geadresseerde. Ze maken onderscheid tussen de zogenaamde ‘power semantic’ en de ‘solidarity semantic’. In het geval van power semantic wordt bedoeld dat er verschillende gronden zijn waarop macht gebaseerd kan zijn, zoals fysieke kracht, rijkdom, leeftijd, sekse, of rol in een institutie (zoals een bedrijf of gezin). De machtigste persoon ontvangt ‘u’ en geeft ‘jij’ –  een non-reciproque (assymetrische) relatie gebaseerd op macht. Mensen die niets gemeen hebben zullen meer neigen naar het gebruiken van ‘u’, maar dit hoeft niet altijd gebaseerd te zijn op verschil in machtspositie. De aanspreekvorm ‘u’ kan eenrichtingsverkeer zijn, maar kan ook van beide kanten komen. Daar waar de power semantic voortkomt uit verschillen, is het solidariteitsbeginsel gebaseerd op overeenkomsten.              Iemand kan zowel [+ power] als [+ solidarity] zijn. Relaties die een wederkerig ‘jij’ gebruiken worden steeds talrijker, evenals bepaalde situaties die om een wederkerig ‘jij’ gebruik vragen. Het initiëren van een wederkerig ‘jij’ zou moeten komen van degene die het hoogst in de machtshiërarchie staat; van oud naar jong, en van man naar vrouw. Volgens Brown en Gilman is solidariteit steeds belangrijker geworden. Het heeft een dominante positie gekregen, boven de power semantic.

 

In het boek Language and Gender van Eckert en McConnell-Ginet worden enkele voorbeelden gegeven van verschillen in aanspreekvormen bij mannen en bij vrouwen.

Zo wordt in het boek het onderzoek van Brouwer et al. (1979) en Brouwer (1982) genoemd, waarbij de beleefdheid van treinreizigers op het station aan het loket werd onderzocht. Er werd geen verschil ontdekt in de relatie tussen spreker en gebruikte aanspreekvorm. Het bleek echter dat er significant meer beleefde reacties waren tegenover mannelijke kaartjesverkopers dan tegenover vrouwelijke collegae. Hierop door redenerend is de ‘familiarity’ laag tussen een klant en een kaartjesverkoper – dus is het verwachtingspatroon dat men tegen een onbekende kaartjesverkoper ‘u’ zegt. Beleefdheid zou gelijk staan aan ‘u’ gebruik in deze situatie.

Eckert en McConnell-Ginet schrijven dat vrouwen meer gebruik maken van routinevormen van complimenten en van andere solidariteitsgerelateerde acties. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat vrouwen meer belang hechten aan het sympathiek gevonden worden, méér dan mannen, die meer belang hechten aan capabiliteit of professionaliteit. De nadruk wordt gelegd op wat de persoon zelf belangrijk vindt.

           

Waar Eckert en McConnell-Ginet ook duidelijk in zijn is de verandering van sociale categorieën en dat dit heeft geleid tot het doorbreken van de cliché gender geïnduceerde rollenpatronen. Vrouwen worden ook vanuit hun positie gezien en gewaardeerd, niet alleen vanuit hun sekse. De positie van de vrouw in de maatschappij is veranderd. Het onderscheid tussen mannen en vrouwen was power semantisch: vrouwen waren onderling solidair met elkaar, en evenzo waren mannen onderling solidair met elkaar. Vandaag de dag is dit anders, want vrouwen zijn niet per definitie solidair met elkaar. Solidariteit komt voort uit zaken zoals collegialiteit. Een vrouw is niet meer op de eerste plaats een vrouw binnen het kader van de aanspreekvormen, maar eerder een collega, onbekende of vriendin.

 

 

In de inleiding noemden we al kort de verschuiving van ‘u’ naar ‘jij’ in ouder-kind relaties. Dit wordt beschreven in het artikel van Vermaas (2002). In dit artikel worden de features [+ solidarity], [- solidarity], [+ status] en [- status] genoemd. Vermaas meent de verschuiving te kunnen verklaren door het idee dat de feature [+ status] in de ouder-kind hiërarchie een minder dominante plaats ingenomen heeft dan de feature [+ solidariteit]. Een ander bewijs voor deze aanname vindt Vermaas in gesprekken tussen huisarts en patiënt, waarin de arts vaak ‘je’ blijkt te zeggen in plaats van ‘u’, om meer vertrouwelijkheid en solidariteit uit te stralen. Dit is een bevestiging van het solidariteitsprincipe boven dat van status. Volgens Van den Toorn (1977), zoals genoemd in Vermaas, schijnt ‘u’ steeds meer het voornaamwoord van de non-solidariteit te zijn geworden. Hij prefereert dan ook de term ‘distantiepronomen’ boven beleefdheidspronomen’.

 

Bij de enquêteresultaten uit het artikel van Vermaas komt het opvallende resultaat naar voren dat mannen een groter onderscheid maken tussen de aanspreking van een man en een vrouw dan vrouwen dat doen; vooral mannen van de oudere generatie ondervraagden zeggen vaker ‘altijd u’ tegen een vrouw. De middengeneratie mannen maakt dit onderscheid in mindere mate. Vrouwen zeggen over het algemeen iets meer ‘altijd u’ tegen mannen dan tegen andere vrouwen; vrouwen gebruiken in elke door Vermaas onderzochte relatie vaker ‘u’ als aanspreekvorm. In het verlengde hiervan ligt een opmerking in Language and Gender, namelijk dat sekse verschil als sociale afstand wordt geïnterpreteerd in sommige Europese culturen. Dat zou verklaren wat Vermaas (o.a.) waarneemt in haar onderzoek.

 

Language and Gender noemt ook Meyerhoff (1996), die betoogde dat mannen conservatiever zouden zijn op het gender vlak. Mannen blijven binnen hun eigen cirkel, terwijl vrouwen minder gebonden zijn aan zaken die typisch(er) vrouwelijk worden geacht. (Daarom kunnen ze bijvoorbeeld meer vooruitstrevend zijn in talige ontwikkelingen.)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Onderzoeksvraag en verwachtingen

 

Vanuit de hiervoor genoemde vermeende solidariteit van vrouwen, de conservatieve en meer ‘u’ georiënteerde man  in deze informatie komt onze hypothese voort:

 

“Vrouwen maken minder onderscheid in gender in het gebruik van aanspreekvormen en mannen doen dit juist meer.”

 

En in  het perspectief van leeftijd: dat jongeren minder onderscheid maken en ouderen juist meer.

Het definiëren van ‘meer’ of ‘minder’ onderscheid is moeilijk en daarom zullen we ons op praktisch niveau dan ook beperken tot de mate van het ‘u’ gebruik. Dit leidt tot de volgende concrete hypothese:

 

“Vrouwen gebruiken minder u en mannen juist meer.”

 

In hoeverre is er verschil in het gebruik van u en jij tussen mannen en vrouwen - in expliciet gebruik?

 

 

Wij verwachten dat vrouwen tegen zowel mannen als vrouwen minder ‘u’ gebruiken dan mannen. Daarnaast verwachten we dat mannen meer gendergerelateerd onderscheid maken wat betreft het gebruik van ‘u’ of ‘jij’, dus dat zij eerder een verschil maken in tegen wie zij ‘u’ zeggen: tegen mannen of vrouwen. Verder verwachten we dat leeftijd ook een belangrijke rol zal spelen in het gebruik van de aanspreekvormen, waarschijnlijk zelfs een grotere rol dan gender. Ons onderzoek is echter gericht op het genderverschil, hier zal dan ook ons zwaartepunt liggen.

 

 

 

 

 

 

 


Methode van het onderzoek

 

Voor ons onderzoek hebben wij gebruikt gemaakt van een enquête, die we aan 23 proefpersonen hebben voorgelegd. Dit onevenredig aantal zal geen moeilijkheden veroorzaken in de resultaten, omdat we constant met percentages zullen werken. De enquête bestond uit een collectief gedeelte, dat voor elk van de onderzoeksduo’s en solo-onderzoekers gelijk was, en een ‘vrij’ gedeelte, waarin wij zelf nog enkele vragen hebben toegevoegd die volgens ons interessant waren voor de resultaten van het onderzoek. Allereerst beschrijven wij hieronder de vraagmethode die we hebben gebruikt in onze enquête, en vervolgens beschrijven we de selectiecriteria die we hebben gehanteerd bij de proefpersonen.

 

Vraagmethode

Onze enquête begon met een introductie waarin wij de proefpersoon vriendelijk verzochten de enquête in te vullen en waar we kort het doel van ons onderzoek schetsten. In deze introductie vermeden wij het gebruik van ‘u’ of ‘jij’, om de proefpersonen zo neutraal mogelijk naar de vragen te loodsen.

De vragen die wij vervolgens in de enquête aan de proefpersonen hebben voorgelegd, betreffen vragen vanuit drie verschillende perspectieven:

 

  • Welke aanspreekvorm gebruikt de proefpersoon tegen bepaalde personen?
  • Welke aanspreekvorm wordt door bepaalde personen gebruikt tegen de proefpersoon?
  • Welke aanspreekvorm hoort de proefpersoon het liefst van bepaalde personen?

 

De ‘bepaalde personen’ uit bovenstaande perspectieven hebben wij in de enquête op een rijtje gezet. Het betreft hierbij 10 personen in het collectieve gedeelte, te weten: moeder, vader, oma, opa, (eigen) kind(eren), winkelpersoneel, een arts, een leraar, een lerares en een onbekende aan wie de weg gevraagd wordt.

Wij hebben in het vrije gedeelte enkele personen toegevoegd, en enkele van de bestaande personen verder gespecificeerd. Het winkelpersoneel, de leraar en de lerares hebben wij nader gespecificeerd naar leeftijd; middelbare leeftijd tegenover +- 25 jaar oud. De arts en de onbekende aan wie de weg wordt gevraagd, hebben wij nader gespecificeerd naar gender, evenals de door ons zelf toegevoegde personen: collega en baas op het werk. Deze keuze hebben wij gemaakt om de nadruk te leggen op het aspect gender, waar het in onze onderzoeksvraag ook uiteindelijk om draait.

 

Het invulschema van de enquête is als volgt opgebouwd:


Ik zeg/zei tegen

Hij/zij zegt/zei tegen mij

Ik hoor(de) het liefst van deze persoon

 

u

jij

n.v.t.*

u

jij

n.v.t.*

u

jij

n.v.t.*

Mijn moeder

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mijn vader

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(Et cetera)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 1: Het invulschema uit onze enquête


Het was de bedoeling dat de proefpersonen het voor hen meest logische vakje aankruisten. Wij hebben bewust niet gekozen voor de keuzeoptie ‘soms’, zodat de proefpersonen niet te snel voor deze optie zouden kiezen, uit gemakzucht of om welke reden dan ook. De noot bij de optie ‘n.v.t.’ wijst op het gegeven dat de proefpersoon dit vakje mag aankruisen dan en slechts dan als de persoon geen dergelijke personen in zijn omgeving heeft (gehad).

Een exemplaar van de enquête is als bijlage I aan dit onderzoeksverslag toegevoegd.

Aan het einde van de enquête volgde er nog een waarderingsvraag waar de proefpersonen op de schaal van 1 tot 5 moesten aangeven hoe zij het onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’ waarderen.

 

Proefpersonen

De selectiecriteria die wij hebben gehanteerd voor onze proefpersonen omvatten twee variabelen, te weten gender en leeftijd van de proefpersonen, van welke gender vanuit ons perspectief de belangrijkste variabele is. De 20 proefpersonen die aan ons onderzoek hebben meegewerkt zijn te verdelen in vier groepen:

 

  • jongere generatie (t/m 25 jaar) vrouwen
  • jongere generatie (t/m 25 jaar) mannen
  • oudere generatie (vanaf +- 50 jaar) vrouwen
  • oudere generatie (vanaf +- 50 jaar) mannen

 

Om grensgevallen te voorkomen, is gebruik gemaakt van een onderscheid naar leeftijd waarbij er één generatie tussen de generaties zit. 

Op deze manier hebben wij geprobeerd een duidelijk overzicht te krijgen van het gebruik van ‘u’ en ‘jij’ onder deze verschillende bevolkingsgroepen, ook al zijn dit aantallen proefpersonen waarbij men bijna nog niet eens kan spreken van een steekproef. Het geeft ons echter wel een eerste indruk van het gebruik van de verschillende aanspreekvormen.

 


 Presentatie van de resultaten

 

Voor de presentatie van de complete resultaten, onderverdeeld per leeftijd en gender verwijzen wij naar de tabel in bijlage II.

 

Om de cijfers iets handiger weer te geven hebben we een procentueel overzicht gemaakt, met daarin alleen onderscheid tussen mannen en vrouwen. Voor specifiekere onderverdelingen (naar leeftijd) verwijzen wij dan ook wederom naar bijlage II.

 

De percentages geven het zogenaamde ‘U-gehalte’ weer. Bij wijze van verduidelijking: 50% betekent dat de ene helft voor ‘u’ gaat en de andere voor ‘jij’. 100% betekent dat iedereen voor ‘u’ kiest en 0% geeft juist aan dat iedereen voor ‘jij’ kiest.

 

ZEGT TEGEN

vrouw

man

moeder

33%

54%

vader

42%

54%

oma

72%

88%

opa

62%

88%

kinderen

0%

0%

middel winkelpersoneel

92%

90%

jong winkelpersoneel

25%

18%

vrouwelijke arts

92%

100%

mannelijke arts

100%

100%

middel lerares

92%

100%

middel leraar

92%

90%

jong lerares

50%

54%

jong leraar

50%

54%

vrouwelijke collega

0%

0%

mannelijke collega

0%

0%

vrouwelijke baas

17%

36%

mannelijke baas

17%

36%

onbekende vrouw

100%

100%

onbekende man

100%

100%

gemiddelde percentage:

55%

61%

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 2: Percentages van “zeggen”

 

Opvallend is dat mannen al meteen meer ‘u’ tegen hun moeder en vader zeggen. Het zwaartepunt ligt bij de oudere mannen (100%) en niet bij de jongere mannen (17%). Jonge vrouwen zeggen nooit ‘u’ tegen hun moeder, maar in een geval wel tegen hun vader. Het grootste verschil zit dan ook in de vrouwen van middelbare leeftijd die minder ‘u’ tegen hun ouders zeggen (67%) ten opzichte van hun mannelijke leeftijdsgenoten. Bij de oma’s en opa’s komt er een leuk detail naar voren, namelijk dat de jonge vrouwen (50%) zowel ‘u’ als ‘jij’ tegen oma zeggen, waar de jonge mannen (83%) veel meer ‘u’ zeggen. Bij opa zijn de resultaten vertekend, omdat veel van de ondervraagden geen opa meer hebben gekend.

Aan de kinderen kunnen we in deze dimensie aan voorbijgaan, omdat veel ondervraagden kinderen als ‘nvt.’ aangaven en iedereen (0%) ‘jij’ tegen hun kinderen zegt die het wel hebben ingevuld.

Vervolgens vroegen wij naar het winkelpersoneel, in zowel middelbare als jonge (rond de 25) leeftijd. Zowel mannen als vrouwen zeggen evenveel[1] ‘u’ tegen middelbaar winkelpersoneel. De enige twee individuen die wel ‘jij’ tegen het oudere winkelpersoneel zeggen zijn een jonge man en een jonge vrouw. Bij jong winkelpersoneel zegt iedereen minder ‘u’.

De artsen hadden wij onderverdeeld in de vrouwelijke en mannelijke variant. De resultaten zijn in dit geval niet opvallend, op een klein (eigenlijk marginaal) verschil na. Er is namelijk een jonge vrouw die wel ‘jij’ tegen haar vrouwelijke arts zegt, ten opzichte van alle andere proefpersonen die allemaal ‘u’ zeggen.

Van de leraren voegden wij alle vier de varianten toe (leeftijd en gender). Het duo van oudere leraar en lerares bracht vrijwel overeenkomstige resultaten op. De ondervraagden die wel ‘jij’ zeggen tegen een oudere leraar zijn in alle drie de gevallen jongeren. In het geval van de lerares is het alleen een jonge vrouw die tutoyeert, in het geval van de man doen zowel een jonge man als jonge vrouw dit. De jongere leraren leiden in beide gevallen tot exact dezelfde resultaten – namelijk een verdeeldheid.

Vervolgens de collegae, waar iedereen (ongeacht gender of leeftijd) tutoyeert (0%). Bij de baas zeggen vrouwen (17%) minder ‘u’ ten opzichte van de mannen (36%) maar maken ze geen onderscheid in de gender van de baas.

Tot slot de onbekende man of vrouw die door alle ondervraagden met ‘u’ wordt aangesproken.

 

ONTVANGT VAN

vrouw

man

moeder

0%

0%

vader

0%

0%

oma

0%

0%

opa

0%

0%

kinderen

0%

0%

middel winkelpersoneel

67%

82%

jong winkelpersoneel

58%

27%

vrouwelijke arts

67%

80%

mannelijke arts

75%

73%

middel lerares

50%

64%

middel leraar

42%

73%

jong lerares

36%

36%

jong leraar

36%

36%

vrouwelijke collega

0%

0%

mannelijke collega

0%

0%

vrouwelijke baas

0%

0%

mannelijke baas

0%

0%

onbekende vrouw

83%

91%

onbekende man

83%

82%

gemiddelde percentage:

32%

41,11%

Tabel 3: Percentages van “ontvangen”

 

Wat betreft de ontvangen aanspreekvorm zijn de resultaten bij zowel ouders, grootouders als kinderen gelijk: 0% ‘u’.

Een opvallend verschil moet opgemerkt worden bij het winkelpersoneel. Van het winkelpersoneel van middelbare leeftijd ontvangt 67% van de vrouwen ‘u’, tegenover 82% van de mannen. Bij het jongere winkelpersoneel is ook een groot verschil te vinden, 58% van de vrouwen ontvangt hier namelijk ‘u’ van het jonge winkelpersoneel, tegenover 27% van de mannen.

Verder is te zien dat vrouwen vaker ‘u’ ontvangen van een mannelijke arts (80%) dan van een vrouwelijke arts (67%), terwijl mannen vaker ‘u’ lijken te ontvangen van een vrouwelijke arts (75%) dan van een mannelijke arts (73%).

Mannen ontvangen van zowel leraressen als leraren van middelbare leeftijd meer ‘u’ dan vrouwen; respectievelijk 64% en 73% (bij de mannen) tegenover 50% en 42% (bij de vrouwen). Bij de jongere generatie leerkrachten zijn alle resultaten gelijk, 36% van de mannen én vrouwen ontvangt ‘u’ van de leraressen én leraren.

In de professionele sfeer ontvangen zowel mannen als vrouwen van hun mannelijke en vrouwelijke collega’s 0% ‘u’. Hetzelfde geldt voor mannelijke en vrouwelijke bazen.

83% van de vrouwen die op straat door een vreemde worden aangesproken, wordt aangesproken met ‘u’. Mannen die op straat door een onbekende man worden aangesproken, ontvangen voor 82% ‘u’, tegenover 91% wanneer zij door een onbekende vrouw worden aangesproken.

WENST VAN

vrouw

man

moeder

0%

0%

vader

0%

0%

oma

0%

10%

opa

0%

11%

kinderen

0%

50%

middel winkelpersoneel

50%

91%

jong winkelpersoneel

50%

64%

vrouwelijke arts

33%

60%

mannelijke arts

25%

54%

middel lerares

18%

54%

middel leraar

18%

54%

jong lerares

27%

45%

jong leraar

18%

45%

vrouwelijke collega

0%

0%

mannelijke collega

0%

0%

vrouwelijke baas

0%

0%

mannelijke baas

0%

9%

onbekende vrouw

75%

81%

onbekende man

75%

81%

gemiddelde percentage:

20,50%

37%

Tabel 4: Percentages van “wensen”

 

Geen van onze proefpersonen wenst door zijn/haar ouders te worden aangesproken met 'u'. Van de jonge mannen wil echter door zijn grootouders, respectievelijk 10% en 11%, met 'u' worden aangesproken. Dit is erg opvallend. Van de mannelijke proefpersonen wenst 50% door zijn kinderen met 'u' te worden aangesproken, tegenover 0% van de vrouwelijke proefpersonen.

Bij de categorie winkelpersoneel van middelbare leeftijd wensen meer mannen (91%) met 'u' aangesproken te worden dan vrouwen (50%). Van de vrouwelijke proefpersonen wil 50% ook door het jongere winkelpersoneel met 'u' worden aangesproken, tegenover 64% van de mannelijke proefpersonen.

De mannen willen door vrouwelijke artsen (60%) en mannelijke artsen (54%) meer 'u' worden genoemd dan de vrouwen, met respectievelijk 33% en 25%.

Ook bij de leerkrachten, zowel mannelijk als vrouwelijk en van beide generaties, wensen onze mannelijke proefpersonen vaker met 'u' aangesproken te worden.

Geen van de proefpersonen wenst door zijn/haar collega's (m/v) te worden aangesproken met 'u'. 9% van de mannen wil door zijn mannelijke baas worden aangesproken met 'u', en door zijn vrouwelijke baas met 'jij'.

De vrouwen wensen in deze situatie geen 'u'. Van de vrouwelijke proefpersonen wil 75% door een onbekende op straat 'u' genoemd worden, tegenover 81% bij de mannen.

 

 

 

 

 

 


Interpretatie van de resultaten

 

De resultaten waar we hoofdzakelijk naar gaan kijken zijn die waarin er genderverschil of juist een opmerkelijke overeenkomst aan bod komt. Toch zullen we zo compleet mogelijk proberen te zijn. We hebben de interpretatie onderverdeeld in de drie dimensies van de aanspreekvormen die we hebben onderzocht, namelijk het zeggen, ontvangen en wensen. Voor de eerste variant zullen we de resultaten nog eens extra verduidelijken door fragmenten vanuit bijlage II in de lopende tekst bij te voegen. De twee volgende variaties (ontvangen en wensen) zullen dit niet doen, maar verwijzen dus impliciet naar bijlage II.

 

 

  1. Algemeen overzicht

     Grafiek 1: Het ‘U-gehalte’

 

Het ‘U-gehalte’ van mannen is dit 46,4% en bij vrouwen is in totaal 35,8%. Op heel globaal niveau speelt ‘u’ als aanspreekvorm bij mannen dus een grotere rol dan bij vrouwen. Tegelijkertijd komt dus naar voren dat in de door ons geschetste omstandigheden ‘u’ zelfs bij mannen lager ligt dan ‘jij’ – er is geen fiftyfifty verhouding tussen het gebruik van ‘u’ en ‘jij’. Dit betreft natuurlijk ook familiare omstandigheden en de drievoudige dimensie (zeggen, ontvangen en wensen).

 

Vrouwen benaderen wel een fiftyfifty balans van ‘u’ en ‘jij’ binnen de dimensie van het zeggen (55%), waar mannen met 61% toch meer ‘u’ dan ‘jij’zeggen. Ook de ontvangst van ‘u’ en ‘jij’ zoals gerapporteerd door de ondervraagden ligt bij mannen bij 10% hoger. Vrouwen willen overduidelijk meer ‘jij’ horen dan mannen (een verschil van ruim 17%).

Zowel mannen als vrouwen van middelbare leeftijd hechten een waarde aan het onderscheid in aanspreekvormen van 4,5 (op 5) waar jonge mannen en vrouwen respectievelijk 3,6 en 3,8 waarderen. Hier wordt meteen duidelijk dat leeftijd ook een grote rol speelt in de aanspreekvormen.

 

 

 

 

 

  1. Het zeggen

 

 

ZEGT

middel vrouwen (6)

jonge vrouwen (6)

middel mannen (5)

jonge mannen (6)

moeder

 

 

 

 

u

4

0

5

1

jij

2

6

0

5

vader

 

 

 

 

u

4

1

5

1

jij

2

5

0

5

Tabel 5: “Zeggen” fragment 1

 

Hier wordt duidelijk de samenhang tussen gender en leeftijd geïllustreerd: de ‘jij’ wordt het meest door jonge vrouwen gebruikt, terwijl mannelijke leeftijdsgenoten veel meer aandacht hebben voor het ‘u’ gebruik.

 

oma

 

 

 

 

u

5

3

3

5

jij

0

3

0

1

Tabel 6: “Zeggen” fragment 2

 

Aan de kinderen kunnen we in deze dimensie aan voorbijgaan, omdat veel ondervraagden kinderen als ‘nvt.’ aangaven en iedereen (0%) ‘jij’ tegen hun kinderen zegt die het wel hebben ingevuld.

Bij jong winkelpersoneel zegt iedereen minder ‘u’ en tegen het ouder personeel zegt men meer ‘u’, wat wederom het belang van de leeftijd aanstipt.

 

middel winkel

 

 

 

 

u

6

5

5

5

jij

0

1

0

1

jong winkel

 

 

 

 

u

1

2

1

1

jij

5

4

4

5

Tabel 7: “Zeggen” fragment 3

 

De resultaten voor de artsen zijn in dit geval niet opvallend, op een klein (eigenlijk marginaal) verschil na. Er is namelijk een jonge vrouw die wel ‘jij’ tegen haar vrouwelijke arts zegt, ten opzichte van alle andere proefpersonen die allemaal ‘u’ zeggen. Opvallend is dan wel dat deze zelfde jonge vrouw juist weer ‘u’ zegt tegen haar mannelijke arts. Dit komt wel overeen met onze assumptie dat vrouwen meer ‘jij’ gebruiken – en vooral in dit geval waarbij ‘solidarity’ (een vrouwelijke arts) een rol lijkt te spelen.

 

ZEGT   

middel vrouwen (6)

jonge vrouwen (6)

middel mannen (5)

jonge mannen (6)

vrouwelijke arts

 

 

 

 

u

6

5

5

6

jij

0

1

0

0

mannelijke arts

 

 

 

 

u

6

6

5

6

jij

0

0

0

0

Tabel 8: “Zeggen” fragment 4

 

In het geval van de leraren en leraressen gaat de meerderheid (52%) toch voor de ‘u’, wat laat zien dat status ook een belangrijke bepalende factor is voor het aanspreken. Bijvoorbeeld: van de zes jonge vrouwen spreekt de meerderheid (66%) een lerares die feitelijk een leeftijdsgenoot is aan met ‘u’. Het ‘jij’ gebruik bij de jongere leraren ligt dan ook vooral bij de oudere mannen en vrouwen, waar leeftijd dan blijkbaar weer een belangrijkere rol speelt.

 

middel lerares

 

 

 

 

u

6

5

5

6

jij

0

1

0

0

middel leraar

 

 

 

 

u

6

5

5

5

jij

0

1

0

1

jong lerares

 

 

 

 

u

2

4

2

4

jij

4

2

3

2

jong leraar

 

 

 

 

u

2

4

2

4

jij

4

2

3

2

Tabel 9: “Zeggen” fragment 5

 

Met betrekking tot collegae is iedereen het heel duidelijk eens, niemand (0%) zegt ‘u’ tegen een collega en gender speelt geen rol. Dit komt overeen met waarnemingen binnen het theoretisch kader waarin beschreven is dat de vrouw vandaag de dag geen vrouw is op de eerste plaats, maar een collega.

Dit komt ook duidelijk naar voren bij de bazen, waar geen onderscheid in gender wordt gemaakt in aanspreekvormen. Het gebruik van ‘u’ ligt wel laag (26%), maar is hoger bij mannen (36%) dan bij vrouwen (16%). Vooral jonge mannen (50%) zeggen naar verhouding meer ‘u’ tegen de baas. Bij mannen speelt status in dit geval dus een grotere rol dan bij vrouwen.

 

ZEGT

allen (23)

vrouwen (12)

mannen (11)

vrouwelijke baas

 

 

 

u

6

2

4

jij

17

10

7

mannelijke baas

 

 

 

u

6

2

4

jij

17

10

7

Tabel 10: “Zeggen” fragment 6

 

Als het om de onbekende man en vrouw gaat, is iedereen het collectief eens. Zowel mannen als vrouwen, jong als oud, allen (100%) zeggen ‘u’ tegen de onbekende. De afstand ten opzichte van de persoon is dus van belang in het aanspreken. De ‘solidarity’ en ‘familiarity’ is erg laag en dit verklaart waarom alle ondervraagden naar de ‘u’ ‘grijpen’.

 

onbekende vrouw

 

 

 

 

u

6

6

5

6

jij

0

0

0

0

onbekende man

 

 

 

 

u

6

6

5

6

jij

0

0

0

0

Tabel 11: “Zeggen” fragment 7

 

  1. Het ontvangen

 

Bij de resultaten kwamen wij enkele opvallende zaken tegen. Stapsgewijs zullen we hieronder de resultaten bespreken, per persoon uit de tabel, op de volgorde zoals deze in de enquête aan bod zijn gekomen. We zullen wederom wat langer stilstaan bij de opmerkelijke punten.

 

Al onze proefpersonen, zowel mannen als vrouwen, zijn eensgezind wat betreft de eerste vijf personen. Het 'U'-percentage is 0% bij beide ouders, beide grootouders en kinderen, voor zover dit van toepassing was voor de proefpersonen. Erg opmerkelijk is dit niet, zeker niet in het geval van de ouders en grootouders. Het zat niet in ons verwachtingspatroon dat proefpersonen 'u' zouden ontvangen van hun ouders of grootouders. Het feit dat de proefpersonen ook van hun kinderen geen 'u' ontvangen, kan duiden op wat Vermaas ook al opmerkte in haar artikel, namelijk de verschuiving van [+status] naar [+solidariteit] in de relatie tussen de ouder en het kind, waardoor 'jij' de meest gangbare aanspreekvorm is geworden.

Bij de resultaten die het winkelpersoneel betreffen, moet een aantal interessante en opvallende zaken worden opgemerkt. Van het winkelpersoneel van middelbare leeftijd ontvangt 67% van de vrouwen 'u', tegenover 82% van de mannen. Dit is een redelijk significant verschil, dat overeenkomt met onze verwachtingen, namelijk dat mannen vaker 'u' ontvangen dan vrouwen. Ook blijkt, gelijk aan onze verwachtingen, dat de proefpersonen van de oudere generatie meer 'u' ontvangen dan de jongere.

Bij het jongere winkelpersoneel lijkt iets vreemds aan de hand te zijn. Van de vrouwen ontvangt 58% 'u' van het jonge personeel, tegenover 27% van de mannen. Dit is een significant verschil, dat wij absoluut niet hadden verwacht. Uit onze resultaten blijkt dus dat jonger winkelpersoneel eerder 'jij' zegt tegen mannen dan tegen vrouwen. Gespecificeerd naar leeftijd blijkt dat het jongere winkelpersoneel tegen zowel de jonge vrouwen, de jonge mannen en de mannen van middelbare leeftijd eerder geneigd is 'jij' te zeggen, en dat alleen de vrouwen van middelbare leeftijd vaker 'u' ontvangen. Wij hebben hier geen verklaring voor.

Uit onze resultaten blijkt dat vrouwen vaker 'u' ontvangen van een mannelijke arts dan van een vrouwelijke arts, terwijl mannen vaker 'u' ontvangen van een vrouwelijke arts dan van een mannelijke arts. Verder is het verschil in 'u'-ontvangst tussen onze mannelijke en vrouwelijke proefpersonen van een mannelijke arts vrijwel te verwaarlozen (2%). Mannen ontvangen wel significant meer 'u' van vrouwelijke artsen dan vrouwen.

Minder opvallend zijn onze resultaten bij de leerkrachten van middelbare leeftijd. Mannen ontvangen van zowel leraren als leraressen significant meer 'u' dan vrouwen. Leraren van middelbare leeftijd zeggen significant vaker 'u' tegen mannen dan tegen vrouwen, terwijl leraressen van middelbare leeftijd net iets vaker 'u' zeggen tegen onze vrouwelijke proefpersonen dan de leraren van middelbare leeftijd.

Bij de jongere leerkrachten zijn alle resultaten gelijk: zowel jongere leraren als jongere leraressen zeggen voor 36% 'u' tegen zowel onze mannelijke als onze vrouwelijke proefpersonen.

Op het werk blijken al onze proefpersonen van zowel hun vrouwelijke en mannelijke collega's als hun vrouwelijke of mannelijke bazen 'jij' te ontvangen. Tussen collega's is waarschijnlijk het begrip solidariteit het meeste van toepassing, terwijl tussen baas en werknemer de factor status waarschijnlijk ook een rol zal spelen, aangezien we in het vorige hoofdstuk hebben aangetoond dat een deel van onze proefpersonen hun (mannelijke en vrouwelijke) bazen vousvoyeert. Het is dus niet opvallend dat werknemers van hun baas geen 'u' ontvangen.

Wanneer vrouwen door een onbekende op straat worden aangesproken, wordt 83% van hen aangesproken met 'u', ongeacht het geslacht van de onbekende persoon. Van de mannen die op straat door een onbekende man worden aangesproken, ontvangt 82% 'u', terwijl dit percentage 91% is wanneer zij door een onbekende vrouw worden aangesproken. Ook dit spreekt onze verwachtingen niet tegen.

 

Over het algemeen ontvangen mannen dus vaker 'u' dan vrouwen (41,11% tegenover 32%), van zowel mannen als vrouwen, behalve wanneer het gaat om jonger winkelpersoneel. Verder komen de resultaten van ons onderzoek overeen met de verwachtingen die we hadden.

 

  1. Het wensen

 

Ten slotte bespreken wij, wederom stapsgewijs, de resultaten bij het onderdeel 'wensen'. Onze verwachting bij dit onderdeel was dat mannen over het algemeen meer met 'u' wensen te worden aangesproken.

 

Het is niet opvallend dat geen van onze proefpersonen door zijn/haar ouders wenst te worden aangesproken met 'u'. Wel opvallend is echter het resultaat dat wij kregen bij de vraag over grootouders. Respectievelijk 10% en 11% van onze proefpersonen, in de categorie 'jonge mannen', wenst door zijn grootouders te worden aangesproken met 'u'. Dit zou eventueel verklaard kunnen worden door een grootouder-kleinkind relatie waarin distantie een belangrijke factor is. Hoe dan ook is het een opmerkelijk resultaat waar wij geen kant-en-klare verklaring voor hebben.

Maar liefst 50% van onze mannelijke proefpersonen wenst door zijn kinderen te worden aangesproken met 'u', tegenover 0% van onze vrouwelijke proefpersonen. Dit is een significant verschil, dat overeenkomt met onze verwachtingen.

Ook bij het winkelpersoneel van middelbare leeftijd wensen meer mannen aangesproken te worden met 'u' dan vrouwen, procentueel gezien 91% tegenover 50%. Dit is wederom een significant verschil. Leeftijd speelt tussen de proefpersonen in dit geval geen rol: de percentages zijn gelijk over alle categorieën verdeeld.

Bij het jongere winkelpersoneel is het verschil minder significant. Van de ondervraagde vrouwen wenst 50% door jonger winkelpersoneel aangesproken te worden met 'u', tegenover 64% van de mannen. Mannen willen dus alsnog vaker 'u' worden genoemd dan vrouwen, ook al is het verschil kleiner dan bij het oudere winkelpersoneel.

Vervolgens komen er een aantal categorieën aan bod die geen opvallende resultaten hebben, dat wil zeggen: de resultaten komen overeen met onze verwachtingen. Mannen willen vaker met 'u' worden aangesproken dan vrouwen door zowel mannelijke als vrouwelijke artsen, en hetzelfde geldt voor leerkrachten van zowel van middelbare leeftijd als van jongere leeftijd. De verschillen tussen de wensen van onze mannelijke en vrouwelijke proefpersonen zijn behoorlijk groot. Van de mannen wil zo bijvoorbeeld 54% met 'u' worden aangesproken door leerkrachten van middelbare leeftijd, ongeacht het geslacht van de leerkracht, tegenover slechts 18% van de vrouwen.

In de professionele sfeer wenst geen van onze proefpersonen door zijn/haar collega's aangesproken te worden met 'u'. Onder collega's speelt het begrip solidariteit vaak een grote rol, dus dit kan hiervoor een verklaring zijn. Vrouwen wensen ook door hun bazen, ongeacht geslacht, 'jij' te worden genoemd, terwijl 9% van de mannen door zijn mannelijke baas aangesproken wil worden met 'u', en door zijn vrouwelijke baas met 'jij'.

Ook de resultaten bij de categorie 'onbekende' geeft geen opmerkelijke resultaten. Het grootste deel van de proefpersonen, zowel mannen als vrouwen, wenst door onbekenden, ook zowel mannen als vrouwen, aangesproken te worden met 'u', onze mannelijke proefpersonen in een iets grotere mate dan de vrouwelijke proefpersonen.

 

Kortom: de resultaten bij het onderdeel 'wensen' zijn niet echt verrassend, behalve dan het feit dat de verschillen tussen de mannelijke en vrouwelijke proefpersonen erg groot zijn. Mannen wensen significant vaker 'u' dan vrouwen, procentueel gezien 37% tegenover 20,50%.

 

 

 

  1. Samenvattend

 

Als we het element van leeftijd als verklarende oorzaak laten vallen en de nadruk op gender leggen, komen er toch wel interessante resultaten uit ons onderzoek. Er komt duidelijk naar voren dat onze mannelijke proefpersonen eigenlijk in alle situaties meer ‘u’ zeggen, ontvangen en wensen – op een enkele uitzondering daargelaten. Vrouwen lijken ‘makkelijker’ en zeggen, ontvangen en wensen veel vaker ‘jij’.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Conclusie en terugblik

 

Wat uiteindelijk uit ons kleinschalig onderzoek naar voren is gekomen zijn de onderstaande waarnemingen:

  • Vrouwen zeggen meer ‘je’.
  • Vrouwen willen meer ‘je’.
  • Vrouwen krijgen meer ‘je.’

 

  • Mannen zeggen meer ‘u’.
  • Mannen in vrijwel iedere situatie meer ‘u’. (Procentueel komt dit niet zo overdonderend naar voren – door afwijkende resultaten met het jonger winkelpersoneel.)
  • Mannen krijgen niet significant meer ‘u’.

 

Het feit dat mannen meer ‘u’ georiënteerd zijn dan vrouwen sluit goed aan op onze hypothese dat vrouwen minder onderscheid in gender maken dan mannen in aanspreekvormen. Het is natuurlijk moeilijk te bepalen of de keuze van een aanspreekvorm alleen gebaseerd is op geslacht – wat vaak toch niet het geval zal zijn – omdat er ook uit de resultaten naar voren komt dat leeftijd, status en solidarity een rol spelen.

In ieder geval is er vanuit de gender (vanuit het perspectief van de geënquêteerden) een verschil waar te nemen. De mannen uit ons onderzoek kunnen conservatiever genoemd worden, omdat zij meer ‘u’ wensen en gebruiken. Opvallend is dan toch wel dat (oudere) vrouwen net zo veel waarde hechten aan het onderscheid tussen ‘u’ en ‘jij’, maar het veel minder gebruiken en wensen dan mannen. Dit is blijkbaar een generatiegerelateerde waardering, omdat de jonge mannen (die ook veel ‘u’ wensen en gebruiken) een lagere waardering voor het onderscheid hebben.

De vrouwen uit ons onderzoek gebruiken, wensen en krijgen meer ‘jij’. Dit zou verklaard kunnen worden aan eerder genoemde bronnen waarin vrouwen zogezegd meer aandacht hebben voor zaken die hen als ‘solidair’ doen overkomen. Overigens speelt beleefdheid bij vrouwen geen rol in het meer gebruiken van ‘u’, het tegenovergestelde zelfs. Hier zou dan een hypothese opgeworpen kunnen worden dat de solidariteit – de samenwerkingsdrang – de beleefdheid bij de vrouw verdrongen heeft. Bij mannen is deze beleefdheid (nog) meer aanwezig. Deze ‘samenwerkingsdrang’ moet natuurlijk niet heel letterlijk worden opgevat, maar meer worden gezien in het licht dat vrouwen ‘makkelijker’ en vriendelijker doen (of juist: willen doen) in een gesprek en hierdoor meer ‘jij’ gebruiken. Immers, wie zegt er ‘u’ tegen iemand waar je een gezellig praatje mee wilt houden?

 

Terugblik

 

Achteraf gezien hadden we best wat kunnen veranderen aan de opzet van de enquête. Hij was best lang (te lang, misschien) en de methode van het aankruisen had niet echt onze voorkeur. De ondervraagden waren snel geneigd om voor een duo (vrouwelijke en mannelijke leraar) hetzelfde aan te kruisen, zonder er nog echt over na te gaan denken.

Een ander minpunt was dat we een oneven aantal ondervraagde mannen hadden. Binnen een onderzoek zo kleinschalig als dit, kan zoiets best uitmaken. Om het betrouwbaar te houden hebben we wel met percentages gewerkt, maar zonder een gelijk aantal voor alle subgroepen kwam dat soms op een verschil van 1% uit. Dit hadden we – achteraf gezien – moeten elimineren door nog een extra man te vinden.


Bibliografie

Brown, Roger and Gilman, Albert. 1960. “Hoofdstuk 9: The Pronouns of Power and Solidarity”. In: Thomas A. Sebeok (ed.): Style in Language. Cambridge, Mass: Technology press of Massachusetts Institute of Technology. p. 253-276.

 

Eckert, Penelope and McConnell-Ginet, Sally. 2003. Language and Gender. Cambridge: University Press.

 

Vermaas, Johanna Aleida Maria. 2002. “Hoofdstuk 3: Veranderingen van de Nederlandse aanspreekvormen in de twintigste eeuw.” In: Veranderingen in de Nederlandse aanspreekvormen van de dertiende t/m de twintigste eeuw, p. 55 – 80.



[1] Het procentueel verschil is dat van 2% dat te wijten is aan de oneven aantallen ondervraagden tussen mannen en vrouwen. In dit kader is dit een verwaarloosbaar verschil.