4. Technische installaties
Home Up 1. Woord vooraf 2. De bouw van een paludarium 3. Een ander type paludarium 4. Technische installaties 5. Inrichtingsmateriaal 6. Planten 7. Dieren 8. Voedseldieren 9. Plagen 10. VideoFilms

4.        Technische installaties

 

Licht en verlichting

   

Licht is een vorm van elektromagnetische straling waar≠bij de verschillende golfleng≠ten de diverse kleuren be≠palen. Daarnaast zijn er voor ons oog niet waarneem≠bare golflengten zoals ultra-violet en infra rood. Het zichtbare licht bevindt zich tussen 380 en 780 nm.

 

Licht is, in kombinatie met andere omgevingsinvloeden zoals temperatuur en vochtigheid, een van de essen≠tiŽle faktoren in het groeiproces van de planten.

Bij de plantengroei worden drie processen, die alle ge≠bruik maken van licht, onder≠scheiden :

-         fotosynthese, de stralingsenergie die omgezet wordt in chemische energie, nood≠zakelijk voor de syn≠these van de organische komponenten waaruit de plant is opgebouwd.

-         Bij de fotosynthese voorziet de plant in haar energie≠behoefte door met de stra≠lingsenergie van het licht, uit water en koolzuur de benodigde koolhydraten te vormen. Bij dit proces komt zuurstof vrij.

-         De verschillende golflengten van het licht zijn dragers van evenzoveel verschillen≠de hoeveelheden van energie. Blauw licht bezit een grotere energie dan rood licht.

-         fotomorfogenese, het vormgevend effekt op planten dat betrekking heeft op de bladontwikkeling, de bladstand, de bladdikte, de vertakking, de stengelhoog≠te, e.d.

-         De fotomorfogenese wordt beinvloed door het kleu≠renspektrum waaruit het aan≠geboden licht is samengesteld. Bij te veel rood licht worden planten lang≠gerekt en iel met grote internodieŽn, of te wel de onderlinge bladafstanden.

-         fotoperiodiciteit, het verschijnsel dat planten verschil≠len vertonen in hun wijze van reageren op de lengte van de periode waarin ze aan licht worden blootgesteld.

-         Kortedag planten gaan pas bloeien als de tijdsduur van verlichten beneden een bepaalde waarde komt, langedag planten komen tot bloei als deze waarde wordt overschreden.

-         Ook de kleur van het licht heeft invloed op de fotope≠riodiciteit, bij te veel rood licht zal de plant in de vegetatieve groeifase blijven en zich niet verder ontwik≠kelen.

 

Verlichting

Bij het paludarium wordt voornamelijk gebruik gemaakt van kunstlicht. Tot enkele jaren geleden voornamelijk de alom bekende TL-buis, maar met de komst van een nieuwe gene≠ratie kompakt gasont≠la≠dingslampen, zoals de  PL-L, is ook een groot toepassings≠gebied van deze lampen voor het paludari≠um ont≠staan.

Deze lampen zijn kompakter van vorm, zijn energiezuiniger en bezitten een hoge≠re lichtopbrengst.

 

Ten behoeve van de overzichtelijkheid wordt in dit artikel volstaan met de Philips aanduidin≠gen.

 

 

Verlichtingtechnische begrippen :

-         Lichtkleur, ook wel genoemd kleurweergave-index, is een getal tussen 50 en 100 waarin de kleurweergave/kwaliteit van een lichtbron wordt uitgedrukt. Hoe hoger de waarde des te natuurlijker de kleur. De kleur 84 staat voor friswit, 83 voor warm≠wit.

-         Kleurtemperatuur, een waarde op een stralingsschaal, uitgedrukt in K (Kelvin)

Hoe hoger de kleur≠tem≠pe≠ra≠tuur des te koeler en dus blauwer is de kleurindruk.

Warmwit is 2500-3500 K, friswit 3500-5000 K en koelwit 5000-8000 K..

-         Lichtstroom, dit is de hoeveelheid licht die door een lichtbron per seconde wordt uitgezonden. De lichtstroom wordt uitgedrukt in lumen.

-         Lichtsterkte, dit is de lichtstroom die in een bepaalde richting wordt uitgezonden. De eenheid hiervan is candela

-         Verlichtingssterkte, staat voor de hoeveelheid licht die op een vlak valt, uitgedrukt in Lux.

-         Absorbtie, de lichtopname van een objekt. 

-         Reflektie, het terugkaatsen van opvallend licht.

-         Refraktie, de breking van uitgestraald licht in een gewenste richting.

 

 

Toepassing in de praktijk

Omdat de PL-L inmiddels bewezen heeft een meer dan volwaardige vervanger van de TL buis te zijn wordt er bij nieuwe installaties vanuit gegaan dat de PL-L zal worden toegepast.

Van belang bij het bepalen van verlichting voor het paludarium zijn de opper≠vlak≠te en de hoogte. Zij bepalen de benodigde verlichtingssterkte en dus het aantal lampen. Een direkte formule is er niet maar vanuit meetgegevens en ervaring kan gesteld worden dat bij een hoogte van 80 tot 100 cm er bij ieder op≠per≠vlak van 1000 tot 1200 cm2, een PL-L van 36 Watt geplaatst wordt.

Bij een paludarium van 120x60x100 cm (lxbxh) zijn dit er dus zes, bij 60x60x80 zijn dit er drie.

 

 

Lichtkleur

Om tot een goed groei- en bloeiproces te kunnen komen, heeft een plant een uit diverse kleuren samen≠gesteld licht nodig.  Bij profes≠sionele planten≠kwekers heeft men per planten≠soort be≠paald aan welke waarde de verlich≠tingssterk≠te, en aan welke kleursamen≠stelling het licht moet voldoen. 

Uit deze gegevens blijkt dat het paludarium, vaak ingericht met tillandsia's, orchi≠deeen en varens, een verlichtingssterkte nodig heeft van 500 tot 3000 Lux. 

Omdat de PL-L kleur 84 een breed kleuren≠spek≠trum bezit kan de verlichting van het palu≠da≠rium uitslui≠tend uit deze kleur bestaan. 

 

 

Hieronder de golflengten die overeenkomen met de verschillende lichtkleuren. Daarnaast het kleu≠renspektrum van de PL-L kleur 84, friswit.  

 

 

 

Metingen

Onderstaande tabel toont een aantal meetwaarden van verlichtingssterkten die, zowel bij verschillende meetopstellingen, als bij een volledig ingericht paludarium zijn gemeten. Gemeten werd vanaf de lichtbron met een verval van 10 cm naar de bodem. De gemeten verlichtingssterkte wordt weergegeven in Lux.

Het ingerichte paludarium heeft een zeskantigevorm en wordt verlicht door drie

PLL 36 kleur 84 die elektronisch gestuurd worden. De binnenzijde van de lichtkap is wit terwijl boven de lampen een reflektor is gemonteerd. Onder de lampen bevinden zich een refraktierooster alsmede een 3 mm dikke glasplaat.

                                                                                                                                    

hoogte

1TL 36/84

1 jaar oud met een reflektor

1 PLL 36/84      1 jaar oud

met een  reflektor

2 PLL 36/84 1 jaar oud met een reflektor

2 PLL 36/84   nieuw,

zonder

reflektor

2 PLL 36/84   nieuw    met een

reflektor

3 PLL 36/84 1 jaar oud ingericht paludarium

70 kap

14200

18900

23300

15700

25800

20700

60

5970

9390

16300

11700

18200

15800

50

2910

4960

9430

6140

10900

9350

40

1860

2850

5510

3870

6490

4070

30

1320

1720

3410

2780

4090

2740

20

914

1180

2340

2070

2790

1770

10

773

827

1690

1440

2020

1310

00 bodem

612

699

1430

1260

1640

843

 

Zoals al eerder opgemerkt geven nu ook de meetwaarden duidelijk aan dat de verlichtingssterkte van de PLL een beter rendement oplevert dan die van de TLverlichting. 

Daarnaast wordt zichtbaar dat de verlichtingssterkte fors afneemt naarmate de te verlichten hoogte toeneemt. Duidelijk wordt door deze meting aangetoond dat de verlichtingssterkte na verloop van tijd afneemt en dat een reflektor tot een vast onderdeel van de lichtkap dient te behoren.                                       

 

Techniek

 

Zowel de TL als de PL zijn lagedruk gasontladingsbuizen. De PL-L 18, 24 en 36 kun≠nen zowel op een konventio≠neel - als een elektronisch voorschakelapparaat worden aangesloten.

Bij gebruik van een konventioneel voorschakelapparaat moet ook een starter in het aansluitcircuit worden opgenomen. Het toegepaste voorschakelapparaat en de starter zijn dan dezelfde als die van de TL installatie.

De PL-L 40 en 55, kunnen alleen elektronisch worden bedreven.

 

Het gebruik van elektronische voorschakel units biedt de navolgende voordelen :

       - het in een keer oplich≠ten van de lamp, dus geen opstart≠geknip≠per

     - een lager stroomver≠bruik

     - een verlenging van de le≠vens≠duur van de lamp met maar liefst 50%.

Indien gewenst is er op een elektronische voorschakelunit een speciale lichtdimmer aan te sluiten. De unit dient dan wel over een regelbare spanning van 0-10 Volt te beschikken. (dit staat op de unit vermeld)

Momenteel zijn er ook zogenaamde pulsestarters verkrijgbaar die i.p.v. een konventionele starter in  de installatie worden geplaatst. Hierdoor start een PLL of TL zonder geknipper en verlengt op deze manier de levensduur van de lamp.

De PL-L heeft een vierpins lampvoet waardoorspeciale lamphouders gebruikt moeten worden. Het uiteinde van de lamp wordt geklemd in een lampsteun.

aansluitschema's :

 

 

Lichtkap

Een lichtkap kan van diverse materialen vervaardigd worden, soms een losse kap soms geinte≠greerd in de konstruktie van het paludarium. In ieder geval moet er voor gezorgd worden dat er met deugdelijke materialen wordt gewerkt.

De wijze waarop de lampen worden gemonteerd, is van wezenlijk belang voor het verlich≠tings≠rendement. Een witte binnenkant van de kap en speciale reflektoren zorgen voor het opti≠maal benut≠ten van het uitgestraalde licht.

Vaak wordt, om het hinderlijk in de lampen kijken te voorkomen, een kunststof refraktie-rooster onder de lichtkap geplaatst. Ondanks de uitgekiende facetvorm van dit rooster zal de lichtsterkte iets afnemen.

Ook een te hoge warmte-ontwikkeling in de lichtkap ( boven 50 graden C.) heeft een negatieve invloed op het verlichtingsrendement. Er dient dus een goede venti≠latie van de lichtkap te zijn.

De voorschakelapparaten behoren buiten de lichtkap geplaatst te worden. De eventueel beno≠dig≠de starters kunnen probleemloos in de kap gemonteerd worden.

 

 

               Technische gegevens van TL en PL lampen

 

Lampsoort Kleur soorten Vermogen Conventioneel VSA in Watt Vermogen elektronisch VSA in Watt Lichtstroom in Lumen Lengte in CM Levensduur in jaren

TLD18

83 / 84

27

-

1450

60

2

TLD36

83 / 84

45

-

3450

120

2

TLD58

83 / 84

69

-

5400

150

2

PLL18

82 / 84

28

19

1200

29

2 *

PLL24

82 / 84

32

25

1800

34

2 *

PLL36

83 / 84

44

36

2900

39

2 *

PLL40

83 / 84

-

45

3500

46

3

PLL55

83 / 84

-

62

4800

55

3

   

*- bij toepassing van een elektronisch voorschakelapparaat wordt de levensduur met 50% verlengd

   

Lucht en ventilatie

 

Een paludarium herbergt een verzameling planten en dieren en men zal dan ook zorg moeten dragen voor luchtverversing. Door bij de bouw van het palu≠dari≠um ventilatieroos≠ters aan te brengen worden lucht aan- en afvoermogelijkheden gecreŽerd. Voor deze roos≠ters wordt een fijn≠ma≠zig gaas of een geperforeerd plaatmateriaal gebruikt.

De luchtstroom wordt zodanig langs de voorruit ''gedwongen'' dat con≠dens≠vorming op de ruit wordt voorkomen. Vaak wordt dan ook een ventilatierooster onder de voorruit

aangebracht.

 

Bij het houden van tilland≠sia's en ≠orchideeŽn is een goede luchtbeweging een vereiste.

Met name voor het snel kunnen opdrogen ≠≠na het sproei≠en of bevochtigen. Laat men dit achterwege, dan zullen de planten schimmelen en langzaam maar zeker wegrotten.

Om deze luchtbeweging te realiseren wordt een ventila≠to≠r geÔnstalleerd.

In principe zijn, gezien de beperkte ruimte, twee typen ventilatoren toe te passen :

 

 

Axiaalventilator 

Een compacte ventilator met een draaiende vin die een krachtige luchtstroom produceert.

- maten : vanaf 28x28x8 mm.

- aansluitspanning : 12, 24 en 220Volt.

- luchtcapaciteit : vanaf 5m3 per uur

- lagers : brons, zelfsmerend.

- nadeel : het motor≠geluid, met name bij de 220Volt-modellen.

 

 

 

 

Tangentieelventilator

Een ventilator met een schoepenwals die een dwarsstroom lucht produceert.

- maten : vanaf 245x90x90 mm.

- aansluitspanning : 12 en 220 Volt.

- luchtcapaciteit : vanaf 80m3 per uur.

- lagers : brons, zelfsmerend.

- voordeel : weinig motorgeluid

 

 

 

Zoals reeds eerder bij de verlichting vermeld, heeft een te hoge temperatuur in de lichtkap een negatieve invloed op het verlichtingsrendement. Lukt het met natuurlijke ventilatie niet deze temperatuur te beperken, dan kan geforceerde ventilatie worden toegepast.

Hier kan een vario-van, een uit de computertechniek afkomstige ventilator, uitkomst bieden.

In principe is dit een axiaalventilator waarbij een temperatuurvoeler, tussen de 30 en 50 graden Celsius, het toerental van de ventilator regelt.

De afmeting bedraagt 80x80x25 mm, de aansluitspanning 8-14 Volt en de luchtverplaatsing is 22-45 m3 per uur. De vario-van wordt geleverd met temperatuurvoeler.

 

 

Niveaubewaking waterdeel

 

Inleiding

Bij aqua‑terraria waarbij prijs wordt gesteld op een constante

waterhoogte in het aquariumgedeelte, vijvertje of poeltje dient het verdampende water voortdu≠rend te worden aangevuld. Door Stu≠dievereniging HET PALUDARIUM is dat pro≠bleem opgelost door een watervoor≠raadvat te instal≠leren en uit dat vat -al dan niet via een waterval of waterloop- voort≠durend water in het water≠deel van het aqua‑≠terra≠rium te pom≠pen. Een in hoogte instelbare over≠loop zorgt voor terug≠vloeien van de overmaat aan water naar het water≠voorraad≠vat. Als die overloop of het zeefje daarvoor verstopt raakt, be≠staat kans dat uit≠ein≠delijk water de kamer in≠komt. De praktijk heeft inmid≠dels uitge≠wezen dat dat risico niet denk≠beeldig is ...

Eťn manier om het overlopen≠de water alsnog te verhinderen op de vloer te komen, is de bak te voorzien van een opvanggoot onderaan die delen van de 'bak' waarlangs het water zou kunnen afstro≠men. Die goot moet dan natuurlijk wel weer in het water≠voorraadvat eindi≠gen wil dat uiteindelijk niet droog komen te staan. Als het ≠laatste gebeurt -en dat kan natuurlijk ook gebeuren als het watervoorraadvat niet tijdig wordt bijgevuld- dan bete≠kent dat in het alge≠meen het einde van de pomp. Ook dat heeft zich al een paar keer voorge≠daan, namelijk in het gebouw waar ons verenigingspaludarium staat en dat in de zomer als regel 6 weken gesloten is.

 

Bewaking maximum waterstand

Als overstromingsbevei≠liging is een opvanggoot eigenlijk een paard achter een wagen. Bij 'bakken' met een aquariumdeel aan de voorruit is het systeem nog wel bruikbaar, maar bij aqua≠terraria met vijvertjes of poeltjes ontstaat er bij overlopen daarvan in het algemeen een modderboel. Lo≠gischer is het de pomp uit te scha≠kelen voordat het water te veel stijgt. Dat doel kan worden gediend door het instal≠leren van een pot met vlotterschake≠laar.

Bij plaatsen van de pot in het aquariumdeel dan wel bij aan≠sluiten van de pot via een zogehe≠ten huid≠doorvoer (voorkeur) of toe≠passen van een hevel (minder betrouwbaar), staat het water in de pot even hoog als in het te bewa≠ken waterdeel (wet van de communi≠cerende vaten). Bij stijgen van het water in het waterdeel van de bak komt de drijver (vlotter) in de pot omhoog en wordt de stroomkring verbroken. In die stroom≠kring dient de pomp te zijn opgenomen, zodat bij te hoge waterstand de pomp wordt uitgeschakeld.

Het inregelen van het schakelpunt is een kwes≠tie van de pot op of neer bewegen en op de juiste hoogte fixeren. Het best plaatst men de pot iets te laag. Vervolgens is het instellen van de juiste hoogte een kwestie van karton≠netjes onderschui≠ven. Zo kan het schakel≠punt en daarmee de hoogste waterstand tot op de milli≠meter nauwkeurig worden ingeregeld.

 

Bewaking minimum water≠stand

Om te voorkomen dat de pomp niets meer te verpompen heeft en daardoor de geest geeft, dient die uitgeschakeld te worden als de waterstand in het water≠voorraadvat te laag wordt. Nu dient de vlotter in neer≠gaande richting de stroom te onderbreken. Dat is een kwestie van de schakelaar 180į te draaien. Van≠zelf≠sprekend moet de vlotter nu worden geplaatst op de laagst toegestane waterstand. Het best plaatst men de pot in het voorraadvat en zorgt ervoor dat hij niet kan opdrijven.

 

Problemen met hevels

Hevels leveren nog wel eens problemen op bij het in werking stellen, wat -zoals bekend- door aanzuigen dient te gebeuren. Ook houden ze wel eens op met werken als gevolg van de vorming van een luchtbel op het hoogste punt van de hevel.

De genoemde problemen kunnen worden opge≠lost door op het hoog≠ste punt van de hevel een aanzuig≠slangetje met af≠sluitkraantje te plaatsen. Bij het in werking stellen zorgt men er dan voor dat beide einden van de hevel in water steken. Vervolgens zuigt men via het aanzuigslangetje de lucht uit de hevel. De hevel treedt dan 'vanzelf' in werking.

Om te voorkomen dat de hevel ophoudt met werken dient men van tijd tot tijd de even≠tueel opgehoopte lucht weg te zuigen. Controle op de vorming van zo'n luchtbel is mogelijk door een doorzichtig aanzuig≠slangetje te gebruiken en de afsluitkraan ho≠ger te plaatsen dan het aansluitpunt van het slange≠tje. De luchtbel ontstaat dan het eerst in het slange≠tje. Blijkt na verloop van tijd dat men zo frequent lucht moet verwijderen dat dat bij afwezigheid een probleem zou kunnen opleveren, dan kan men een buffervat (verwijding) tussen het aansluitpunt en het afsluit≠kraantje plaatsen.